Welke lessen kan onderwijs trekken uit de coronacrisis?

Print Friendly, PDF & Email

De Covid-19-pandemie heeft een impact op alle maatschappelijke sectoren, en dus ook op onderwijs. De sluitingen van onderwijsinstellingen wereldwijd heeft een impact op 72% van het totale aantal leerlingen en studenten. Ook in Vlaanderen werden de onderwijsinstellingen verplicht om zich (deels) digitaal te heruitvinden. Ineens moesten scholen en hoger onderwijsinstellingen een steile leercurve door om digitaal te leren lesgeven. Maar ook onderwijsrechtelijk was het onontgonnen terrein. Welke juridische lessen zijn daaruit te trekken voor het onderwijsveld?

Hoger onderwijs

Hoger onderwijsinstellingen moesten vanaf 13 maart 2020 overschakelen naar afstandsonderwijs met uitzondering van stages in de zorg.  De meeste instellingen hadden daarvoor echter al het voortouw genomen en de ommezwaai richting een digitale wereld ingezet. Naast de nodige menselijke, digitale en infrastructurele uitdagingen, was ook de onderwijsrechtelijke impact niet min: instellingen moesten structureel wijzigingen aanbrengen aan onderwijs- en examenactiviteiten om het academiejaar kwaliteitsvol georganiseerd te krijgen.

De Vlaamse Regering besliste daarom op 17 april 2020 tot bekrachtiging en afkondiging van een decreet over maatregelen in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2019-2020 als gevolg van de coronacrisis. De voorbereiding gebeurde met inspraak van VLIR, VLHORA en VVS – een goede zaak aangezien de hoger onderwijsinstellingen samen met hun studentenvertegenwoordigers al volop bezig waren aan de kwaliteitsvolle herorganisatie van het resterende semester en de examenperiodes. Het decreet gaf de nodige juridische onderbouw aan het harde werk dat op het terrein werd verricht.

Het decreet is in essentie bedoeld om hoger onderwijsinstellingen toe te laten de toetredingsovereenkomst die de studenten met hen gesloten hebben eenzijdig te wijzigen, weliswaar steeds na overleg met de studentenvertegenwoordigers. Dit was nodig: de algemene regel luidt immers dat hoger onderwijsinstellingen noch het onderwijs- en examenreglement, noch de ECTS-fiches van de individuele opleidingsonderdelen voor de reeds ingeschreven studenten eenzijdig kunnen wijzigen in de loop van het academiejaar.  Overmacht laat toe om dit principe los te laten, maar dit zou tot rechtsonzekerheid leiden. Bevinden hoger onderwijsinstellingen zich bijvoorbeeld in juni nog in een overmachtssituatie, indien het kader bepaald door de Nationale Veiligheidsraad op dat moment on-campus examens weer toelaat? Laat overmacht toe om praktische organisatieregels uit te vaardigen (zoals het beperken in duurtijd van schriftelijke examens)?

Het nooddecreet sluit die onnodige onzekerheid uit. In essentie laat het decreet twee grote wijzigingen toe:

  • Voor opleidingsonderdelen die geëxamineerd worden, kunnen de ECTS-fiche, het onderwijs- en examenreglement, de regels voor toekennen van examenfaciliteiten etc. eenzijdig worden gewijzigd door de instelling, na overleg met studentenvertegenwoordigers. Indien er objectieve verschillen zijn tussen groepen van studenten (bijvoorbeeld t.a.v. buitenlandse studenten), dan mag er gedifferentieerd worden tussen die groepen.
  • Wanneer geen examen kan worden afgenomen (bijvoorbeeld stages of practica die nog geen aanvang hebben genomen en waarvoor geen vervangactiviteit kan worden gevonden), dan kunnen de examinering en deliberatie worden uitgesteld, zelfs indien dit uitstel duurt tot een datum na afloop van het huidige academiejaar. Op die manier wordt belet dat de student zich voor een volgend academiejaar moet herinschrijven (en betalen). Ook hier is studenteninspraak gewaarborgd.

Leerplichtonderwijs

Het leerplichtonderwijs zag zich voor dezelfde onderwijsrechtelijke problemen geplaatst: de schoolreglementen en het decretale kader rond participatierechten bij wijziging van de schoolreglementen maakten de ommezwaai naar pre-teaching juridisch bijzonder heikel. Ook het wegvallen of herorganiseren van de paasexamens, eindexamens en de werkzaamheden van de delibererende klassenraden steunde op de wankele juridische basis van overmacht. Voor het leerplichtonderwijs geldt immers eveneens dat eenzijdige wijzigingen van de schoolreglementen tijdens het schooljaar niet flexibel doorgevoerd kunnen worden. Het ingediende voorstel van nooddecreet levert hiervoor een oplossing. Of correcter: beide voorstellen van nooddecreet. Voor het GO! was immers (deels) een afzonderlijk voorstel van (bijzonder) nooddecreet nodig, aangezien de Vlaamse Gemeenschap in uitvoering van art. 24, §2 van de Grondwet de bevoegdheid om gemeenschapsonderwijs te organiseren via bijzonder decreet toewees aan het GO!, en ook daarin participatieregels ten aanzien van de schoolraad opgenomen zijn.

De decreten bevatten – naast de reeds genoemde mogelijkheid om reglementen flexibel te herschrijven voor het lopende schooljaar  – verder ook nog verschillende praktische maatregelen om de impact van Covid-19 op het onderwijs te regelen, bijvoorbeeld rond termijnregelingen, de tuchtrechtelijke uitsluiting van leerlingen, de ontbinding van een inschrijving omwille van onredelijke aanpassingen voor kinderen met een verslag dat toegang geeft tot buitengewoon onderwijs, digitale inschrijvingen, etc. De inwerkingtreding van het (inmiddels deels herschreven) inschrijvingsdecreet dat minister Crevits in de laatste rechte lijn van haar mandaat nog had onderhandeld om kamperen te vermijden, wordt daarbij (nogmaals) met een schooljaar uitgesteld.

Een opvallende gelijkenis met het decreet voor hoger onderwijs betrof de ruime eensgezindheid over het decreet (een unanieme politieke goedkeuring), o.a. gelet op de voorafgaande aftoetsing met het onderwijsveld. Een samenwerking tussen politiek en onderwijs die overigens ook resulteerde in uitgebreide draaiboeken voor de heropstart van scholen, een prestatie waarop het departement terecht trots mag zijn.

Conclusie

Elke crisis is ook opportuniteit, zo wordt gezegd. Uit deze Covid-19-crisis valt in elk geval te leren dat samenwerking loont. Beide nooddecreten laten een ongeziene eendracht en samenwerking zien tussen de onderwijsactoren en het onderwijsbeleid. Gelet op de belangrijke werven die nog resten tijdens deze legislatuur, moet dat een opsteker zijn voor minister Weyts. Hopelijk tekent de rest van zijn ambtstermijn zich in eenzelfde positief elan van samenwerking af.

Tegelijkertijd rijst toch de vraag waarom decretaal ingrijpen nodig is vooraleer onderwijsinstellingen datgene kunnen doen wat nodig én logisch is in het licht van deze gezondheidscrisis, namelijk hun onderwijs en hun examens hervormen zodat zoveel mogelijk studenten en leerlingen op een veilige manier van onderwijs en studiebekrachtiging kunnen blijven genieten. Aan de Grondwet ligt het niet: art. 24, §1 bevat nog steeds een principiële vrijheid van onderwijs die onderwijsinstellingen meester maakt van hun eigen onderwijs en hun eigen examens. Spaak in het wiel was hier het contractuele kader waarin het hoger onderwijs en het gesubsidieerde vrije leerplichtonderwijs zich bevinden. Een contractueel kader dat immers niet eenzijdig gewijzigd kan worden na ondertekening van de toetredingsovereenkomst tussen onderwijsinstelling en leerling/student. Voor het officiële leerplichtonderwijs (dat binnen een reglementair kader werkt en niet binnen een contractueel kader) waren het vooral de decretaal verplichte participatierechten die een eenzijdige wijziging van het schoolreglement moeilijk maakten.

Geen van beide principes moet op de schop – zowel het contractuele kader als de studenten- en leerlingenparticipatie worden gekoesterd door de betrokkenen. Maar toch: onderwijs is een functionele openbare dienst en openbare diensten dienen continu te kunnen blijven functioneren (continuïteit van de openbare dienst), wat automatisch ook wil zeggen dat ze de nodige veranderlijkheid moeten kunnen bieden (veranderlijkheid van de openbare dienst). Zo luiden de beginselen van de openbare dienst immers. Het juridische kader waarbinnen het onderwijsveld opereert lijkt evenwel dermate dichtgetimmerd, dat die beginselen moeilijk waar te maken zijn in tijden van crisis – toch niet zonder nooddecreten… Misschien biedt deze crisis ook de opportuniteit om daarover dieper te reflecteren?

Kurt Willems is professor onderwijsrecht aan de KU Leuven  en afdelingshoofd van het Leuven Centre for Public Law, advocaat aan de Balie van Antwerpen,  voorzitter van de deontologische Kamer van Beroep voor personeelsleden uit het vrij gesubsidieerd onderwijs en lid van de Commissie Leerlingenrechten.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.