Verloren zonder wegbeschrijving? Over delen en cumuleren

Print Friendly, PDF & Email

Op 6 februari organiseerde het Leuven Centre for Public Law in samenwerking met CROW een colloquium over het Vlaamse decreet gemeentewegen naar aanleiding van de inwerkingtreding ervan op 1 september 2019. Op het colloquium bespraken verscheidene sprekers het decreet in al zijn facetten. In deze blogpost bespreekt prof. em. Marc Boes het gebrek aan wettelijke definitie of overkoepelend regime voor gemeente- en andere wegen en de resulterende problemen.

Een waaier aan wegen

Het Gemeentewegendecreet van 3 mei 2019 (in werking getreden op 1 september 2019) voert een uniforme regeling in voor alle gemeentewegen.
Een echte definitie van wat een gemeenteweg is, geeft het decreet evenwel niet. Artikel 2, 6° omschrijft een gemeenteweg simpelweg als “een openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond”.

Wat is dan een openbare weg? Een algemene definitie van openbare weg ontbreekt eveneens. Bij gebrek aan een wettelijke omschrijving van het begrip “weg” oordeelde het Hof van Cassatie in 1978 (in de context van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening) “dat de wegen, in de gebruikelijke juridische betekenis, het geheel van de voor het openbaar verkeer aangewende wegen bedoelen(Pas. 1978, I, 957).

Hoe dan ook, niet alle wegen die in een gemeente liggen, vallen onder het onmiddellijke beheer van de gemeente. Behalve de categorie van de gewestwegen – die door het Gewest beheerd worden – zijn er: spoorwegen, boswegen, waterwegen, jaagpaden en militaire wegen. Naast deze wegen met een eigen statuut, moet ook rekening gehouden worden met het begrip openbare weg in het verkeersrecht. Dat laatste begrip is veruit het ruimste: elke weg, beheerd door de overheid of niet, die vrij gebruikt kan worden door het publiek. Dit omvat dus ook wegen op private eigendom voor zover de eigenaar zich niet verzet tegen dat gebruik.

Gedeelde beddingen

Omdat er al bij al dus nogal veel soorten van wegen zijn, kan het gebeuren dat soms beddingen van verschillende soorten wegen over een kortere of langere afstand samenlopen. Het gaat dan om gedeelde beddingen. Veel voorkomende gevallen zijn kruisingen van wegen, zoals plaatsen waar een weg een spoorweg kruist, of een gewestweg een gemeenteweg, of een landweg een waterweg. In die gevallen rijst de vraag of het statuut van de ene weg voorrang heeft op de andere, dan wel dat beide statuten cumulatief moeten worden toegepast, met de bijkomende vraag hoe dan in die laatste hypothese eventuele conflicten of tegenstrijdigheden moeten worden opgelost.

Aan deze belangrijke vragen heeft de wetgever geen aandacht besteed.
Het Hof van Cassatie kon reeds een (gedeeltelijk) antwoord geven op de vraag welk statuut voorrang heeft dankzij de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen. Die wet machtigt de Koning om wegen in te delen bij de zogenaamde “grote wegen”, d.w.z. dat de Koning delen van provinciale wegen (een categorie die niet meer bestaat in het Vlaamse Gewest) en van gemeentewegen mag indelen bij de grote wegen, die onder het beheer van de centrale overheid vallen. Hoewel die wet dus niet met zoveel woorden bepaalt dat het ene statuut voorrang heeft boven het andere, leest het Hof van Cassatie (zie Arr.Cass. 2009, afl. 10, 2183) daarin wel dat, bijvoorbeeld in geval van een kruising van een gemeenteweg met een spoorweg, het statuut van de spoorweg voorrang heeft, omdat de spoorwegen zijn ingedeeld bij de grote wegen. Maar dat geldt alleen bij “echte” kruisingen, niet wanneer de ene weg over de andere loopt met daartussen een lege ruimte, zoals bij een tunnel of een brug.

Het belang om te weten welke weg voorrang heeft, heeft vooral te maken met de vraag wie de kosten moet dragen voor het verplaatsen van nutsleidingen: de beheerder van de weg die de verplaatsing vraagt, of de exploitant van de nutsleidingen? Als die laatste immers kan aantonen dat de overheid die de verplaatsing vraagt, niet de beheerder is van de weg, dan moet de overheid opdraaien voor de kosten.

Het Hof van Cassatie duidt dat helder aan in een arrest van 27 februari 2014:
Uit artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925, het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, artikel 9, tweede en derde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen en artikel 110, § 1, laatste lid, van het gecoördineerd decreet van 25 januari 1995 betreffende de radio-omroep en de televisie volgt dat de kosten van de verplaatsing van leidingen, op grond van die bepalingen, in de regel slechts aan de nutsbedrijven ten laste kunnen worden gelegd, wanneer deze verplaatsing werd gelast of bekrachtigd door de overheid in wiens domein de nutsleidingen gelegen zijn en tevens werd voldaan aan één van de opgesomde voorwaarden die de noodzaak van de werken in het openbaar belang uitdrukken.”

Buiten het geval van kruising van een grote weg met een andere weg, is de vraag naar voorrang echter niet te beantwoorden. Men zou kunnen opperen dat militaire wegen die andere wegen kruisen, altijd voorrang moeten hebben, omdat defensie een kerntaak van de overheid is. Als wegbeheerders er zelf niet uitraken, kunnen zij de vraag voorleggen aan de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die op grond van artikel 12 van de wetten op de Raad van State bevoegd is om over dit soort van conflicten uitspraak te doen.

Cumulatie van wetgeving

Een andere situatie die zich kan voordoen, is die van een weg die tot een welbepaalde soort behoort, maar waarop een andere regelgeving geënt wordt. Hierna volgen twee voorbeelden.

Zo is bijvoorbeeld het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 soms cumulatief van toepassing op wegen. Eén voorbeeld uit vele is de Paterbergstraat (kasseiweg) in Kwaremont. Om allerlei redenen zijn er nogal wat kasseiwegen beschermd op grond van dit decreet of voorgaande wetgeving, in die mate dat het Agentschap Erfgoed een brochure heeft gemaakt “Afwegingskader. Behoud kasseiwegen vs. verbetering rijcomfort“.

Bij werken aan dergelijke wegen dient men (dus op de eerste plaats de overheid die beheerder is van de weg) zich niet alleen te houden aan de rechtsregels die het statuut van de weg bepalen, maar ook aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Onroerenderfgoeddecreet.

Een tweede voorbeeld betreft de Verkeerswet en het Algemeen Verkeersreglement die de eigenaardigheid vertonen dat er niet alleen wegen zijn waarop enkel deze regelgeving van toepassing is, maar ook dat zij soms – en zelfs tamelijk vaak – cumulatief van toepassing zijn op wegen met een ander statuut. Dat laatste is namelijk zo telkens zij (minstens met gedogen van de wegbeheerder) door het publiek als verkeersweg gebruikt worden.

Zelfs op militaire wegen kan het verkeersrecht van toepassing zijn. Artikel 3, § 1, 4° van de wet van 16 maart 1968 op de politie over het wegverkeer bepaalt dat de minister van Landsverdediging bevoegd is om aanvullende reglementen uit te vaardigen voor “militaire wegen die voor het openbaar verkeer openstaan.” Die bepaling zou de indruk kunnen wekken dat militaire wegen alleen met een formele beslissing van de minister van Landsverdediging kunnen worden opengesteld voor het openbare verkeer, maar dat is niet zo. Een feitelijk gebruik door het algemene verkeer volstaat om een militaire weg tot openbare weg te maken, voor zover er geen aanwijzingen zijn die een gewone gebruiker moeten doen vermoeden dat het een militaire weg is, zoals het Hof van Cassatie beslist heeft in een arrest van 8 juli 1955.

Een afdoende regeling van voorrang en cumulatie

De vragen over voorrang van wegstatuten en cumulatie van wetgeving zijn, zoals hiervoor is gebleken, vooral in de rechtspraak aan bod gekomen. Wetgeving is er niet of nauwelijks. Het ontbreken van een dergelijk wettelijk overkoepelend regime doet in de praktijk echter vaak vragen rijzen.

Wegen zijn een bevoegdheid van de Gewesten, met uitzondering van de spoorwegen en de verkeersveiligheid (Artikel 6, § 1, X, 1° en 2° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ). Daarom is het aan de Vlaamse decreetgever om een goede regeling uit te werken voor die gevallen waar wegen samenlopende beddingen hebben (de “grote wegen” voorrang lost niet alle problemen op) en meer dan één regeling van toepassing is op eenzelfde weg, met (of beter: ter oplossing van) alle problemen die dit met zich meebrengt: is er een of zijn er twee (of meer) beheerders, met al dan niet gelijke rechten en plichten (onderhoud, verplaatsen van nutsleidingen, aansprakelijkheid)…

Marc Boes is emeritus gewoon hoogleraar aan de KU Leuven (Leuven Centre for Public Law).


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.