Verdwijnen van Vlaamse gemeentewegen door verjaring: een aflopend verhaal

Print Friendly, PDF & Email

Op 6 februari organiseerde het Leuven Centre for Public Law in samenwerking met CROW een colloquium over het Vlaams decreet gemeentewegen naar aanleiding van de inwerkingtreding ervan op 1 september 2019. Op het colloquium bespraken verscheidene sprekers het decreet in al zijn facetten. In deze blogpost is mijn ambitie beperkter en ga ik in op een van die facetten. Ik ga met name in op het verdwijnen van gemeentewegen (gelegen in het Vlaamse Gewest) door verjaring, of meer precies: op het niet langer verdwijnen van gemeentewegen door verjaring.

Discussies zoals die over het al dan niet verjaard zijn van de buurtweg op Parking C waarop Ghelamco het Eurostadion wilde bouwen, zullen in de toekomst niet langer aan de orde zijn. Zolang de gemeenteweg niet door een formele beslissing van de gemeenteraad is opgeheven, blijft de weg bestaan met alle gevolgen van dien (de weg mag niet ingenomen worden op een wijze die het gewone gebruiksrecht overschrijdt, de weg mag niet gewijzigd of opgeheven worden zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad, enz.).

“Verjaarbaarheid” van buurtwegen

Vóór de invoering van het decreet gemeentewegen moest een onderscheid worden gemaakt tussen gewone kleine wegen en buurtwegen. Gewone kleine wegen waren in beginsel onverjaarbaar zodat ze niet konden verdwijnen door het verstrijken van de tijd. Een gewone kleine weg kon in de eerste plaats de vorm aannemen van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang. In dat geval was de weg onverjaarbaar omdat publiekrechtelijke erfdienstbaarheden alleen kunnen verdwijnen door een uitdrukkelijke beslissing van de bevoegde overheid of door het onttrekken aan zijn bestemming van het goed ten bate waarvan ze zijn gevestigd. In de tweede plaats kon een gewone kleine weg ook eigendom zijn van de gemeente. De wegbedding behoorde in dergelijk geval in beginsel tot het openbaar domein dat eveneens onverjaarbaar is (vgl. hier op p. 102 & 123).

Buurtwegen konden daarentegen wel vatbaar zijn voor verjaring, ook al kon een buurtweg eveneens ofwel de vorm aannemen van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid ofwel eigendom zijn van een gemeente. Het verschil tussen een buurtweg en een gewone kleine weg zat hem in het feit dat buurtwegen opgenomen waren in (een latere aanvulling op) een Atlas der Buurtwegen. Het feit dat buurtwegen konden verdwijnen door verjaring werd afgeleid uit –het controversiële- artikel 12 Buurtwegenwet. Die bepaling stelde dat “de buurtwegen, zoals zij worden erkend en gehandhaafd ingevolge de algemene rooi- en afpalingsplannen, door geen verjaring verkregen [kunnen] worden zolang zij dienen tot het openbaar gebruik, behoudens de vóór onderhavige wet verkregen rechten”. A contrario volgde daaruit dat buurtwegen vatbaar waren voor verjaring als het openbaar gebruik was opgehouden. Niet zelden was het onbruik van de buurtweg het gevolg van een inname, al dan niet vergund, van de buurtweg (Zie bv. hier op p. 398). Meermaals hebben zaken het nieuws gehaald waar een buurtweg door een huis liep, een poort geplaatst was op een buurtweg, enz.

“Onverjaarbaarheid” als hoeksteen van decreet gemeentewegen

Artikel 14, §1 decreet gemeentewegen brengt daar –in navolging van artikel 30 van het Waalse decreet gemeentewegen– voor gemeentewegen gelegen in het Vlaamse Gewest verandering in en stelt zeer duidelijk dat gemeentewegen alleen kunnen verdwijnen door een bestuurlijke beslissing en niet door niet-gebruik. De decreetgever wil vermijden dat gemeentewegen in tegenstelling tot de vroegere buurtwegen (gedeeltelijk) verdwijnen door “onrechtmatig optreden van een particulier, feitelijke nalatigheid van de bevoegde overheid en louter tijdsverloop”. De tweede paragraaf van artikel 14, §1 geeft iedereen wel de mogelijkheid om een gemotiveerd verzoekschrift in te dienen bij de gemeente waarin verzocht wordt om een gemeenteweg die gedurende dertig jaar niet publiek gebruikt is, op te heffen. De verzoeker kan het dertigjarig onbruik bewijzen door een rechterlijke uitspraak of met alle middelen van recht.

Indien de gemeenteraad op grond van een verzoekschrift vaststelt dat de gemeenteweg effectief reeds gedurende dertig jaar niet publiek gebruikt wordt, moet ze oordelen over de wenselijkheid van de opheffing. Hierbij houdt ze rekening met de principes en doelstelling van het decreet, en met het gemeentelijk beleids- en afwegingskader voor zover die kaders opgesteld zijn. In ieder geval zal de gemeenteraad niet eenvoudig tot de wenselijkheid van de afschaffing kunnen besluiten. De afschaffing kan, als uitzonderingsmaatregel, slechts worden gekozen wanneer het behoud of een wijziging of verplaatsing van de weg niet wenselijk is. De afschaffing moet ook steeds afdoende worden gemotiveerd (art. 4. 2° decreet gemeentewegen). Besluit de gemeenteraad toch tot afschaffing van de gemeenteweg, dan start ze de opheffingsprocedure die onder meer een openbaar onderzoek inhoudt. In het andere geval moet de gemeente de gemeenteweg blijven beheren en handhaven.

Indien de gemeenteraad daarentegen vaststelt dat er geen sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek, moet ze overeenkomstig artikel 14, §2, derde lid decreet gemeentewegen het college van burgemeester en schepenen de opdracht geven om de publieke doorgang te vrijwaren.

“Onverjaarbaarheid” slechts voor de toekomst

Aangezien de opheffing een uitzonderingsmaatregel is geworden en de opheffing steeds via de opheffingsprocedure moet verlopen, heeft de decreetgever op dit vlak zijn doelstelling ongetwijfeld bereikt. Hoewel vele kritieken te formuleren zijn op het decreet (zie daarvoor het verslagboek van het colloquium dat verschijnt bij Intersentia), is dit er geen van. Gemeentewegen verdwijnen niet langer door “onrechtmatig optreden van een particulier, feitelijke nalatigheid van de bevoegde overheid en louter tijdsverloop”. Hierbij dient wel een belangrijke kanttekening te worden geplaatst. Artikel 14 decreet gemeentewegen heeft geen retroactieve maar onmiddellijke werking. Concreet betekent dit dat artikel 14 alleen van toepassing is op verjaringen die nog niet voltooid waren op het ogenblik dat het decreet gemeentewegen in werking is getreden, zijnde 1 september 2019. Alle geschillen die betrekking hebben op een reeds vóór 1 september 2019 voltooide verjaring, moeten bijgevolg behandeld worden overeenkomstig het oude recht. Artikel 12 Buurtwegenwet zal met andere woorden nog geruime tijd zijn relevantie in de praktijk behouden.

Thomas Leys is doctoraatsonderzoeker administratief recht aan het Leuven Centre for Public Law.

Deze blogpost is gebaseerd op de bijdrage van Thomas Leys en Steven Lierman aan het boek Gemeentewegen (eds. Robert Palmans, Steven Lierman en Thomas Leys). De bijdrage is getiteld ‘Verkrijgende en bevrijdende verjaring van gemeentewegen en contractuele gemeentewegen’.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.