Streng. Maar rechtvaardig? De beoordeling van asielaanvragen vanwege niet-begeleide minderjarige vreemdelingen door het Commissariaat-Generaal en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

20 november is de Internationale Dag van de Rechten van het Kind, de dag waarop we bij uitstek stil moeten staan bij onze plicht om bijzondere bescherming te bieden aan kinderen. Die plicht geldt des te meer voor kinderen op de vlucht.

Zij maken immers een bijzonder kwetsbare groep uit, doordat ze zich bevinden op een kruispunt van kwetsbaarheden: op de vlucht, minderjarig en zonder volwassen begeleiding. Deze kinderen zijn alleen op de vlucht, zonder hun ouders of andere familieleden. Ze vluchten vaak om dezelfde redenen als volwassenen: omdat hun familie gevaar loopt. Daarnaast vluchten kinderen soms ook omdat ze als individu bedreigd worden – dan gaat het over ‘kindspecifieke vluchtgronden’. Hieronder vallen o.a. rekrutering door militaire groepen, genitale verminking, kinderprostitutie, familiaal geweld en isolatie. Naar aanleiding van de Dag van de Rechten van het Kind past het om na te gaan hoe de Belgische asielinstanties met zulke aanvragen omgaan. Krijgen deze kinderen een aangepaste behandeling, waarin hun rechten voldoende gerespecteerd worden?

Een eerste vaststelling is dat de Vreemdelingenwet niet-begeleide minderjarigen aan dezelfde asielprocedure onderwerpt als meerderjarige of begeleide minderjarige asielzoekers. Echter, voor de behandeling van hun aanvraag zijn er enkele bijzondere waarborgen voorzien, zoals de toewijzing van een voogd (art. 6 Voogdijwet). Deze fungeert als hun vertrouwenspersoon doorheen de hele asielprocedure. Hun gehoor wordt voorts geleid door een gespecialiseerde dossierbehandelaar binnen het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). Die heeft een bijzondere opleiding genoten, onder meer in kindspecifieke vluchtmotieven.

De interessantste vraag is evenwel hoe de Belgische asielinstanties de aanvragen van niet-begeleide minderjarigen inhoudelijk beoordelen. Om na te gaan of het asielrelaas van niet-begeleide minderjarigen klopt, zal het CGVS gedetailleerde vragen stellen over de beweerde herkomst, vluchtroute en het misbruik waaraan de minderjarige zegt te zijn blootgesteld. Voor deze bijzonder kwetsbare groep geldt in theorie een verlaagde bewijsstandaard. Die komt tegemoet aan de moeilijkheden die minderjarigen kunnen ervaren om hun verhaal precies en coherent weer te geven. Er dient rekening gehouden te worden met “de rijpheid en de geestelijke ontwikkeling van de minderjarige alsmede met zijn of haar mogelijk beperkte kennis van de omstandigheden in het land van herkomst”, aldus de Raad van de Europese Unie.

Gelet op de theoretische verlaagde bewijsstandaard, kan men zich bij verschillende beoordelingscriteria die het CGVS hanteert afvragen of het wel gerechtvaardigd is om minderjarigen daarnaar te vragen en er (veel) belang aan te hechten als hun verklaringen tekortschieten. Dit is bij uitstek het geval wanneer ze door hun vervolging of vlucht getraumatiseerd zijn. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) daar wel expliciet rekening mee houdt, is dat voor het CGVS niet even duidelijk. Zo oordeelde het CGVS in een zaak van een voormalig kindsoldaat die aan ernstige PTSS leed, dat het medisch attest gevoegd bij een tweede asielverzoek een onvoldoende nieuw element was om over te gaan tot een nieuwe beoordeling ten gronde. Zijn eerste verzoek was namelijk ongeloofwaardig bevonden wegens incoherenties. Deze bleken evenwel voort te komen uit zijn posttraumatische stress, die op dat moment nog niet officieel was vastgesteld in de vereiste vorm van een medisch attest. De RvV vernietigde deze beslissing, stellende dat het GGVS onredelijk had gehandeld “door verzoeker naar aanleiding van diens tweede asielaanvraag de kans te ontnemen opnieuw gehoord te worden omtrent diens herkomst en vervolgingsrelaas”, daar “de door de verzoeker voorgelegde attesten duidelijk aangeven dat verzoeker als gevolg van zijn PTSS en voorafgaandelijk aan de therapie van de laatste jaren, ernstige problemen had bij het afleggen van een interview.”

Bovendien lijken bepaalde vooronderstellingen binnen te sluipen in de beoordeling van het CGVS en de RvV. Bepaalde culturele assumpties verraden dat asielrelazen binnen een West-Europees denkkader worden beoordeeld. Zo hechten het CGVS en de RvV bijzonder veel belang aan de chronologie van een vluchtverhaal, waar tijd in sommige culturen niet dezelfde centrale rol speelt. Wanneer een asielzoeker, die bovendien niet-begeleid en minderjarig is, niet tot op de dag zijn verhaal kan bepalen, werd dit hem in bepaalde beslissingen zwaar aangerekend. Zo wees het CGVS het asielverzoek van een Afghaanse minderjarige af omdat hij, onder andere, stelde dat hij slechts “na vier dagen aan de Taliban [kon] ontkomen, […] hoewel [hij] voor de Dienst Vreemdelingenzaken nog zei dat [hij] op de derde dag ontsnapte.” Dat hij niet kon preciseren of hij drie of vier dagen gevangen werd gehouden, werd “opmerkelijk” bevonden en tastte de geloofwaardigheid van zijn verhaal aan.

Daarnaast is het opvallend dat geen van beide instanties belang lijkt te hechten aan de eventuele minderjarigheid tijdens de vlucht. Wanneer iemand minderjarig is tijdens de beoordeling, zal men inconsistenties in het verhaal minder streng beoordeelden, ervan uitgaande dat zij – door hun jonge leeftijd – bepaalde details minder precies registreren en dus kunnen weergeven. Maar, die verlaagde bewijsstandaard lijkt in België weg te vallen wanneer men te maken heeft met een meerderjarige asielzoeker, zelfs wanneer die minderjarig was toen hij vluchtte. Is het redelijk om van deze groep wel te verwachten dat ze alle details onthouden over hun vluchtcontext; een context die ze als minderjarigen vaak niet helemaal begrepen of registreerden?

Het hanteren van soms bedenkelijke beoordelingscriteria betekent natuurlijk geenszins dat het afwijzen van de asielaanvraag van de minderjarige ongefundeerd was. Echter, het is cruciaal dat onze asielinstanties zich blijvend vragen stellen over hun methoden en deze waar nodig aanpassen.

Louise Reyntjens onderzoekt het gebruik van migratierecht in het kader van terrorisme in de Europese Unie.

Jonas Vernimmen is onderzoeker aan het Leuven Centre for Public Law, waar hij zich specialiseert in de rechten van etnische en religieuze minderheden. Dit jaar verblijft hij aan Columbia Law School (New York) voor een LL.M. gefocust op mensenrechten.

Samen werken zij aan een artikel over de beoordeling van asielaanvragen vanwege niet-begeleide minderjarigen dat in de reeks migratie- en migrantenrechten zal verschijnen.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.