Stilstand in de bouw: wie betaalt de rekening ?

Print Friendly, PDF & Email

De coronacrisis doet ook voor de in uitvoering zijnde overheidsopdrachten tal van vragen rijzen. Heel wat aannemers zagen zich genoodzaakt de werkzaamheden stil te leggen en beroepen zich op ‘onvoorzienbare omstandigheden’. Zij rekenen erop dat de opdrachtgevers het opgelopen nadeel zullen compenseren. Maar kunnen ze daar inderdaad van uitgaan? In deze blogpost bepleit prof. dr. David D’Hooghe alvast een duidelijkere communicatie over de verhouding werk (‘blijf aan het werk’) en gezondheid (‘blijf in uw kot’).

Heel wat aanbestedende overheden (lokale besturen, overheidsbedrijven, ziekenhuizen, enz.) kregen sedert medio maart 2020 mails en brieven doorgestuurd vanwege hun aannemers. Daarin wijzen de aannemers erop dat er ten gevolge van de coronacrisis niet meer kan worden verder gewerkt, en dat de werken bijgevolg moeten worden stilgelegd. Ze voegen er vaak aan toe dat het nog te vroeg is om de impact van die stillegging te begroten, maar dat zij die gegevens zo spoedig mogelijk zullen bezorgen.

Onvoorziene omstandigheden

De wetgeving op het vlak van overheidsopdrachten (artikel 39/8 KB 14 januari 2013 Algemene Uitvoeringregels Overheidsopdrachten) bepaalt inderdaad dat de aannemer die zich geconfronteerd weet met onvoorzienbare omstandigheden die voor hem een bron van nadeel zijn, zich kan richten tot de aanbestedende overheid waarmee hij heeft gecontracteerd. Hij kan van die overheid dan bekomen dat het economische evenwicht dat door die ‘onvoorzienbare omstandigheden’ in zijn nadeel wordt verstoord, terug wordt hersteld. Vaak zal dat herstel de vorm aannemen van een extra compenserende vergoeding.

In de praktijk bestaat er dikwijls discussie over het wel of niet bestaan van onvoorzienbare omstandigheden en de specifieke impact ervan op de concrete overheidsopdracht. Dat zal nu niet anders zijn. Al zal vooral de vraag rijzen of de coronacrisis effectief tot gevolg heeft gehad dat de aannemer de werken niet meer heeft kunnen verderzetten.

Federaal coronabesluit

En dat is geen evidente aangelegenheid. Het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus te beperken bevat alvast geen verbod voor bouwbedrijven om verder te werken. Er wordt enkel bepaald dat, waar telethuiswerk niet kan toegepast worden, de bedrijven de nodige maatregelen moeten nemen om de naleving van de regels van social distancing (het behoud van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon) te garanderen (art. 2). Deze regel geldt ook voor het vervoer georganiseerd door de werkgever. Enkel de niet-essentiële bedrijven die in de onmogelijkheid zijn om die maatregelen te respecteren, moeten sluiten. Voor de essentiële bedrijven geldt de sluitingsplicht niet.

Impact voor de bouw : ‘to work or not to work’

De bouwbedrijven kunnen dus nog altijd blijven voortwerken voor zover zij (i) hetzij als essentieel worden aangemerkt (bv. watersector, energie, afvalverwerking), (ii) hetzij de nodige maatregelen kunnen nemen om social distancing te garanderen. Ook het uitvoeren van professionele verplaatsingen blijven toegelaten, met inbegrip van woon- en werkverkeer (art. 8).

Aannemers die inroepen dat zij ten gevolge van de coronacrisis niet kunnen voortwerken, zullen dan ook moeten kunnen aantonen dat zij niet aan de voorwaarden (kunnen) voldoen om te blijven voortwerken. Het is moeilijk om in te schatten welke bewijslast precies op hun schouders rust om de contracterende overheden hiervan te overtuigen. Uiteindelijk zal het, in geval van een geschil, aan de rechter toekomen om daarover te beslissen.

In dat verband zal ongetwijfeld de vraag rijzen of een eventuele stopzetting van de werkzaamheden door een aannemer wel berust op een onderbouwde inschatting van de mogelijkheid om de afstandsvereiste te eerbiedigen. Er is immers ook de begrijpelijke bekommernis van het personeel dat uiteraard geen bijkomende risico’s wil lopen om het coronavirus te krijgen. Vanuit bedrijfseconomisch standpunt kan onder meer ook de mogelijke uitweg van de tijdelijke werkloosheid een rol spelen.

Met het oog op het kunnen inroepen van onvoorzienbare omstandigheden zal het in eerste instantie aan de aannemer zijn om in te schatten wat vanuit operationeel maar ook vanuit bedrijfseconomisch standpunt ‘mogelijk’ en ‘redelijk’ is om de social distancing te garanderen. Het is belangrijk dat die oefening op een zorgvuldige wijze gebeurt. Idealiter vinden aanbestedende overheid en aannemer elkaar bij het uitwerken van die maatregelen én de bijhorende compensatie. Want ook voor de aanbestedende overheden is het moeilijk om het juiste evenwicht te vinden tussen het belang bij de voortgang van de werkzaamheden en de volksgezondheid.

Nood aan duidelijke en eenduidige communicatie

De ‘officiële’ communicatie is vandaag erg dubbelzinnig. Met ‘blijf in uw kot’ en de verplichting tot ‘telethuiswerk’ wanneer mogelijk wordt – terecht – opgeroepen om maximaal thuis te blijven. Maar in het licht van het “coronabesluit” is er geen reden om de uitvoering van overheidsopdrachten op te schorten , behalve indien – voor de niet-essentiële sectoren – niet kan worden gegarandeerd dat de afstandsvereiste kan worden geëerbiedigd. Grotere bouwbedrijven onderzoeken dan ook terecht hoe zij dit kunnen concretiseren. Hoe beter dit blijkt te lukken, hoe minder verantwoording er is om de werkzaamheden niet in de mate als mogelijk te hervatten.

Het is hoe dan ook aangewezen dat de overheid haar communicatie op het vlak van de volksgezondheid en op het vlak van werk beter op elkaar afstemt, zodat duidelijk is wat van de aannemers wordt verwacht: voortwerken of stoppen. In het licht van een scherpere communicatie op dit punt zullen bouwbedrijven beter kunnen inschatten of zij wel of niet kunnen voortwerken, en of zij zich op onvoorzienbare omstandigheden kunnen beroepen met het oog op compensatie door de contracterende overheid. Als de bouwbedrijven wel kunnen voortwerken, maar daartoe maatregelen moeten nemen die een impact hebben op de kosten en het rendement van de aannemer, zal compensatie kunnen worden bekomen voor het nadeel dat de aannemers door die maatregelen hebben ondergaan.

David D’Hooghe is deeltijds hoogleraar publiek recht aan de KU Leuven, verbonden aan het Leuven Centre for Public Law, en advocaat te Brussel (Stibbe).


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.