Shell moet CO2-uitstoot reduceren: aansprakelijkheidsgolven reiken steeds verder (Deel I)

Print Friendly, PDF & Email

Klimaat en duurzaamheid blijven de maatschappelijke gemoederen beroeren en staan steeds prominenter op de agenda. Dit roept ook belangrijke juridische vragen op. Een bijzondere blogreeks plaatst deze belangrijke en omvangrijke thematiek in de kijker. Deze eerst blogpost geeft een overzicht van de spraakmakende veroordeling van Shell door de Nederlandse rechter. Een tweede blogpost voegt daaraan niet alleen een besluit maar vooral ook vele vragen toe.

Op 25 mei 2021 beval de rechtbank van Den Haag Royal Dutch Shell om de wereldwijde CO2-uitstoot door de gehele multinationale ondernemingsgroep, zakenpartners en afnemers tegen eind 2030 met 45% terug te dringen ten opzichte van de uitstoot in 2019. Na de succesvolle klimaatzaak tegen de Nederlandse Staat, blijkt de algemene zorgvuldigheidsnorm in Nederland nu een vruchtbaar klimaat om ook een private onderneming een reductiebevel op te leggen.

Zeven Nederlandse milieuverenigingen en 17 400 individuele eisers stelden een aansprakelijkheidsvordering in tegen Royal Dutch Shell. Als één van de zeven grootste staatsonafhankelijke fossielebrandstoffenondernemingen (‘supermajors’) is Shell volgens de eisers verplicht tot grotere inspanningen om een gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan.

Rechtsplicht o.b.v. algemene zorgvuldigheidsnorm

Volgens de rechtbank van Den Haag rust er wel degelijk een rechtsplicht op Shell om de CO2-uitstoot te verminderen. Die rechtsplicht, afdwingbaar naar Nederlands recht, is volgens de rechtbank te vinden in de ongeschreven algemene zorgvuldigheidsnorm die voortvloeit uit artikel 6:162 van het Nederlandse BW. Om te achterhalen hoe een normaal zorgvuldige onderneming in dezelfde omstandigheden als Shell zou moeten handelen, betrekt de rechtbank heel wat elementen. We vestigen hieronder de aandacht op zes van die elementen.

Mensenrechten en soft law

Een eerste belangrijk element is de eerbiediging van mensenrechten, met name het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op eerbieding van respect voor privé- en familieleven (artikel 8 EVRM). Hoewel die mensenrechten voornamelijk gelden in de verhouding tussen staten en hun burgers, laat de algemene zorgvuldigheidsnorm als open norm verdere doorwerking ervan tussen private personen toe. Waar het baanbrekende Urgenda-arrest ten aanzien van de Nederlandse Staat rechtstreeks tot een rechtsplicht kwam voor de overheid, gaat het ten aanzien van Shell om een onrechtstreekse invloed vanwege het maatschappelijke en fundamentele belang van mensenrechten die zich uit in de zorgvuldigheidsnorm. Een normaal en redelijk persoon houdt rekening met de mensenrechten van anderen.

Daarnaast beroept de rechtbank zich ook op soft law om die mensenrechten aan het gedrag van Shell in zijn hoedanigheid van multinationale onderneming te koppelen. De rechtbank zoekt aansluiting bij de UN Guiding Principles, UN Global Compact en de OESO-richtlijnen. Die soft law-instrumenten geven de bestaande inzichten over maatschappelijk verantwoord ondernemen weer en benadrukken de verantwoordelijkheid van staten, maar ook van ondernemingen op het gebied van mensenrechten. Zij creëren geen nieuw recht of juridisch bindende verplichtingen, maar uit die instrumenten leidt de rechtbank wel af dat het internationaal algemeen aanvaard is dat ondernemingen mensenrechten moeten respecteren. Die verantwoordelijkheid houdt in dat ondernemingen zich moeten onthouden van rechtstreekse inbreuken op de mensenrechten van anderen én dat zij de negatieve gevolgen waarin zij onrechtstreeks een aandeel hebben, moeten aanpakken. Dat laatste laat de rechtbank toe om niet alleen de directe uitstoot van de eigen ondernemingsactiviteiten (scope 1), maar ook de indirecte uitstoot van zakenpartners (scope 2) en de overige uitstoot door derden (dit zijn de afnemers) (scope 3) te betrekken bij haar oordeel over de verantwoordelijkheid van Shell.

Individuele verantwoordelijkheid Shell

Een derde element ter invulling van de algemene zorgvuldigheidsnorm is de toepasselijkheid van internationale klimaatdoelstellingen op Shell als private onderneming. Centraal in het juridische en maatschappelijke debat staat immers de vraag of Shell als enkeling en als private speler aansprakelijk gehouden kan worden voor de klimaatverstoring als mondiale problematiek. De eisers baseerden de inhoudelijke omvang van de reductieverplichting van Shell op de doelstellingen van het Parijsakkoord. Nochtans bindt dat akkoord Shell als private onderneming niet.

Ook hier betrekt de rechtbank die doelstellingen indirect. De rechtbank oordeelt ten eerste dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) aangeeft dat staten de doelstellingen van het Parijsakkoord niet alleen kunnen behalen. Daarvoor is het gewicht van sommige multinationale ondernemingsgroepen te groot. Ten tweede beschouwt de rechtbank de niet-bindende doelstellingen van het Parijsakkoord als de politieke weerslag van een universeel gedragen en geaccepteerde wetenschappelijke norm. Ook over de precieze weg naar de doelstellingen van het Parijsakkoord (temperatuurstijging beperken tot ruim onder de 2°C en streven naar stijging van maximaal 1,5°C tegen 2100 t.o.v. pre-industriële tijden), stelt de rechtbank een consensus vast die de algemene zorgvuldigheidsnorm concretiseert (terugbrengen uitstoot met netto 45% tegen 2030 en 100% tegen 2050 t.o.v. 2010).

Een vierde element, in het verlengde van het vorige, is de gedeelde verantwoordelijkheid van staten én de samenleving. De staten bepalen immers de spelregels voor private ondernemingen die zich op hun beurt richten naar de behoeften van de samenleving. We zijn allen verantwoordelijk en allen aan zet. Shell kan niet ontsnappen aan zijn verantwoordelijkheid door naar anderen te wijzen, zoals ook de Nederlandse Staat zich in de zaak Urgenda niet kon verschuilen achter het ‘minieme’ Nederlandse aandeel in de wereldwijde CO2-uitstoot. De rechtbank herhaalt dat de klimaatdoelstellingen ook door niet-statelijke actoren moeten worden behaald om als maatschappij een kans op succes te hebben en zo de negatieve effecten op mensenrechten te vermijden. Voorts wijst de rechtbank op de zwaarwegende belangen die worden gediend met de reductieverplichting, waarbij van Shell als zwaargewicht op de energiemarkt op dat vlak veel kan worden verwacht. Shell heeft een eigen verplichting, los van anderen, en kan niet volstaan met het volgen van de ontwikkelingen in de maatschappij en voldoen aan de regelgeving in de staten waarin het actief is. Wél erkent de rechtbank dat Shell niet de enige verantwoordelijke is. Shell zal moeten samenwerken met anderen, waardoor de verantwoordelijkheid voor de indirecte (scope 2) en overige uitstoot (scope 3) slechts aanleiding kan geven tot een ‘zwaarwegende’ inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis.

De rechtbank gaat, als vijfde element, nader in op de invloed van het bestaan van een publiekrechtelijk kader. Het zijn immers de staten die bepalen binnen welk kader ondernemingen mogen opereren, in het bijzonder via vergunningsvereisten. Dat publiekrechtelijke kader geeft weer wat wij als samenleving een aanvaardbare grens van negatieve externaliteiten beschouwen. Menselijk gedrag is steeds ‘vervuilend’ in brede zin. Het komt erop aan om te bepalen welke hoeveelheid vervuiling opweegt tegen alle andere belangen die onze samenleving dienen, zoals technologische vooruitgang of de toegang tot betaalbare levensmiddelen. Een op voorhand gegeven toelating, bijvoorbeeld in de vorm van een vergunning, biedt een zekere vrijwaring tegen latere claims, omdat er politiek een keuze is gemaakt in die belangenafweging.

De rechtbank besteedt aandacht aan dit publiekrechtelijke kader, met name aan het bestaan van emissiehandelssystemen. De rechtbank erkent de vrijwarende werking van het Europese systeem. De uitstoot die daaronder valt, kan dus niet worden betrokken bij de verplichting van Shell om zijn uitstoot terug te dringen. De rechtbank overweegt evenwel dat het Europese systeem slechts een klein deel van de uitstoot van Shell dekt. Wat andere vergunningen betreft, is er volgens de rechtbank dan weer geen vrijwarende werking. Het is niet duidelijk of de CO2-uitstoot daarbij een rol heeft gespeeld, wat bij de emissiehandelssystemen wel duidelijk het geval is. Een eigen kanttekening bij de verhouding tussen vergunningen en de algemene zorgvuldigheidsnorm is dat een vergunning geen absolute hindernis vormt voor een aansprakelijkheidsvordering. De algemene zorgvuldigheidsnorm staat naast of boven bijzondere wetgeving en reglementering.  Ze kan verder gaan, in het bijzonder wanneer het voor een persoon voorzienbaar is dat zijn gedrag schade zal veroorzaken. Voortschrijdend technisch en wetenschappelijk inzicht – zoals de wetenschappelijke en internationale consensus waarop de rechtbank uitdrukkelijk wijst – kan ertoe leiden dat een onderneming beseft of moet beseffen dat een in tempore non suspecto vergunde activiteit toch schadeverwekkend(er) blijkt te zijn waardoor bijkomende inspanningen zich opdringen. Voorbeelden zijn legio; denk maar aan de vooruitschrijdende inzichten betreffende de toxiciteit van onder meer asbest en PFAS. Een onderneming kan zich dan niet zomaar verschuilen achter inertie of traagheid bij de uitvoerende of wetgevende macht om geen actie te moeten ondernemen.

Een zesde element is de effectiviteit van een reductieverplichting. Hoewel Shell geen kleine garnaal is, mag niet uit het oog worden verloren dat zijn aandeel en dat van de andere supermajors betrekkelijk klein is. Voor meer dan 80% zijn de reserves van fossiele brandstoffen in handen van staatsbedrijven en staten. Volgens Shell zou een verplichting dus niet baten, omdat concurrenten staan te springen om zijn plaats in te nemen zodra dat kan. De rechtbank onderkent dat Shell het probleem van de klimaatverstoring niet alleen kan oplossen, maar meent dat dit argument faalt. Vanwege de zwaarwegende belangen die worden gediend met de verplichting van Shell, kan dit argument niet rechtvaardigen dat op voorhand al wordt aangenomen dat het die verplichting niet hoeft na te komen. Bovendien wijst de rechtbank op feitelijk bewijs van het tegendeel. Volgens een organisatie van de VN bestaat er immers wel degelijk een oorzakelijk verband tussen een beperking van de ontginning door één persoon en een verlaging van uitstoot op wereldschaal.

De slotsom van dit vonnis laat zich kernachtig samenvatten, maar de conclusie na dit vonnis doet tegelijk vele vragen rijzen. Benieuwd? Lees erover in de volgende blogpost.

Christopher Borucki en Françoise Auvray zijn verbonden aan het Instituut voor Verbintenissenrecht van de KU Leuven, UHasselt.

Dr. Pieter Gillaerts is vrijwillig wetenschappelijk medewerker van de KU Leuven.

Kyra Wigard is verbonden aan het Leuven Centre for Public Law van de KU Leuven.

Deze blogpost verscheen samen met de volgende blogpost als tweede deel eerder als bijdrage in de Juristenkrant.


Christopher BORUCKI, Pieter GILLAERTS, Françoise AUVRAY & Kyra WIGARD, "Shell moet CO2-uitstoot reduceren: aansprakelijkheidsgolven reiken steeds verder (Deel I)", Leuven Blog for Public Law, 24 September 2021, https://www.leuvenpubliclaw.com/shell-moet-co2-uitstoot-reduceren-aansprakelijkheidsgolven-reiken-steeds-verder (geraadpleegd op 25 October 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.