Redelijke aanpassingen bij handicap: leerkracht en arbeidsrechtbank buizen werkgever

Print Friendly, PDF & Email

In een vonnis van 10 januari 2020 veroordeelde de arbeidsrechtbank van Charleroi de stad Charleroi voor het onvoldoende aanbieden van redelijke aanpassingen aan een leraar met een handicap binnen een gemeentelijke school. Deze blogpost analyseert het vonnis en de implicaties die het heeft voor de interpretatie van redelijke aanpassingen.

Bij discussies over inclusief onderwijs gaat het meestal over leerlingen met specifieke onderwijsnoden en over de redelijke en systeemaanpassingen die nodig zijn om hen toegang tot onderwijs te verschaffen. Het Vierde General Comment bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (‘VRPH’, § 37) benadrukt echter dat ook het verzekeren van de toegang voor leraars met een handicap onder de inclusieve onderwijsverplichtingen van een staat vallen. Ze moeten onder meer redelijke aanpassingen krijgen waar dat nodig is om hun deelname aan het onderwijssysteem mogelijk te maken. Deze leraars ‘contribute to breaking down barriers and serve as important role models’. Uiteraard hebben die leraars, zoals elke werknemer met een beperking, ook het recht om op gelijkwaardige voet deel te nemen aan de arbeidsmarkt (artikelen 5 en 27 VRPH).

Dat laatste recht is ook op EU-niveau en in de Belgische federale en deelstatelijke antidiscriminatiewetgeving verankerd. De veroordeling van de stad Charleroi was gesteund op het Waals antidiscriminatiedecreet van 6 november 2008 dat in artikel 5, §2 de rechtspositionele en contractuele arbeidsbetrekkingen binnen de lokale besturen tot zijn toepassingsgebied rekent. Aangezien het om de omzetting van een EU-richtlijn (2000/78) gaat, zijn er evenwel grote inhoudelijke convergenties

Redelijke aanpassingen bij multiple sclerose

Tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd bij de onderwijzeres multiple sclerose vastgesteld, een aandoening die verschillende symptomen met zich mee brengt en van de ene op de andere dag kan verschillen. Op medisch advies vroeg ze in de daaropvolgende schooljaren verschillende aanpassingen van de stad (haar werkgever) zodat ze kon blijven lesgeven. Het ging onder meer om een aangepast uurrooster, een aangepaste stoel en een ruimte om te rusten. Daarnaast werd ze ingezet op verschillende scholen, wat vermijdbare inspanningen en problemen met zich bracht. De stad had ook meermaals nagelaten de directie van de scholen waar de eiseres zou werken, adequaat voor te bereiden. Na meermaals tevergeefs tussenkomen van Unia stapten de onderwijzeres en Unia dan ook naar de rechter. Hoewel over de situatie voor de komende schooljaren een akkoord bereikt was via bemiddeling, moest de rechter zich buigen over de vraag of de houding over de gevraagde redelijke aanpassingen in het verleden een discriminatie uitmaakte.

Dat MS hier een handicap uitmaakte werd niet betwist (en bleek overigens uit eerdere rechtspraak). Het onderzoek over de redelijke aanpassingen bestaat uit twee stappen en vereist een contextgevoelige analyse vertrekkend vanuit de individuele noden van de persoon met een handicap. Ten eerste wordt nagegaan of de voorgestelde aanpassingen het doel van redelijke aanpassingen zouden bereiken, namelijk toegang, deelname en vooruitgang aan het professionele leven. Als dat het geval is, wordt vervolgens onderzocht of de gevraagde aanpassing geen onevenredig zware belasting vormt voor de werkgever. Het gaat dan om een proportionaliteitsonderzoek waarin onder meer de (financiële en organisatorische) kost van de aanpassing, de frequentie en verwachte gebruiksduur kunnen worden meegenomen.

In dit geval stelt de stad dat ze nooit formeel weigerden de aanpassingen door te voeren maar dat het progressief, stap per stap, zou gebeuren. Terecht oordeelt de rechter dat een progressieve totstandkoming niet volstaat. De redelijke aanpassingsplicht heeft immers onmiddellijke werking (zie 2e General Comment bij het VRPH). Het niet onmiddellijk toepassen van redelijke aanpassingen komt dan ook neer op een weigering. Een formele afzonderlijke weigering moet niet bewezen worden. Daarnaast toont de stad niet aan dat de gevraagde aanpassingen een onevenredige belasting zouden vormen.

Specifiek wordt ingegaan op de vraag naar een voltijdse betrekking op één school. De stad (die de bewijslast draagt) toont niet aan dat een voltijdse betrekking in één school onmogelijk of onredelijk belastend was geweest. Cruciaal in de redenering van de arbeidsrechtbank lijkt de weigerachtige houding van de directrice en een onderwijsadviseur (beiden in dienst van de stad) te zijn geweest. Zij beschouwden redelijke aanpassingen als een ‘voordeel’ ten aanzien van de andere collega’s. Ze reageerden ook negatief op de tussenkomst van Unia en weigerende de opgemaakte lessenroosters te hertekenen.

Mentaliteitswijziging

De redelijke aanpassingsplicht draait inderdaad om méér dan alleen materiële aanpassingen. De redelijke aanpassingsplicht vraagt dat de werkomgeving een inspanning doet om zich aan te passen aan de situatie van de persoon met een handicap, en die aanpassing vraagt evenzeer een mentaliteitswijziging als een fysieke aanpassing. De symbolische tussenkomst van Unia in het proces (terwijl er een vergelijk voor de komende jaren voorlag) moet dan ook in die zin begrepen worden: het vonnis is een duidelijk signaal aan de werkgever dat redelijke aanpassingen onmiddellijk een constructieve houding behoeven.

Zuiver redeneren vanuit een weigerachtige houding van personeel om daaruit de onredelijkheid van de aanpassing af te leiden, voldoet niet aan de criteria van het (in casu Waalse) antidiscriminatiedecreet (voor een gelijkaardige conclusie over geweigerde aanpassingen voor leerlingen in Vlaanderen, zie Rb. Antwerpen 7 november 2018). Wanneer personeel tekenen geeft zich daarvoor niet volledig te willen inzetten, moet de werkgever de nodige inspanningen leveren om een mentaliteitswijziging te bewerkstelligen. Gezien het onmiddellijk karakter van redelijke aanpassingen mag met die inspanning bovendien niet worden gewacht.

Marie Spinoy is als doctoraal onderzoekster verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.

Kurt Willems is professor onderwijsrecht, hoofd van het Leuven Centre for Public Law van de KU Leuven en advocaat.

Een eerdere versie van deze post verscheen in De Juristenkrant.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.