Potpourri VI – Vraagstukken inzake overgangsrecht

In de strijd tegen de gerechtelijke achterstand, heeft de wetgever appellabiliteitsgrenzen ingevoerd en deze door de jaren heen herhaaldelijk gewijzigd. Potpourri VI sleutelde wederom aan die appellabiliteitsgrenzen, hetgeen echter leidde tot onzekerheden en enkele belangrijke vraagstukken inzake overgangsrecht.

Over de overbelasting en achterstand van de Belgische hoven en rechtbanken, en meer bepaald de hoven van beroep, is reeds heel wat inkt gevloeid. Recent was deze aanhoudende problematiek wederom het voorwerp van discussie in de media en publieke opinie, waarbij Justitie met de vinger werd gewezen.

De beteugeling van de gerechtelijke achterstand lijkt soms een ware Sisyfusarbeid. In de voortdurende strijd om de overbelasting van de hoven en rechtbanken enigszins in te perken, zijn de appellabiliteitsgrenzen een belangrijk wapen. Ze sluiten de mogelijkheid van hoger beroep uit tegen vonnissen die betrekking hebben op vorderingen met een (relatief) beperkte waarde. Deze werden door de jaren heen meermaals gewijzigd, maar ook bekritiseerd.

Wie a(ppellabiliteit) zegt, moet b(eperking) zeggen

De appellabiliteitsgrenzen (art. 617 Ger.W.) beletten dat hoger beroep wordt ingesteld tegen vonnissen met betrekking tot vorderingen waarvan de waarde het bepaalde grensbedrag niet overschrijdt. Art. 617, lid 1 Ger.W. bepaalt inderdaad het volgende:

“De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbank, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 2.500 euro niet overschrijdt, worden gewezen in laatste aanleg. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter en, inzake de geschillen bedoeld in artikel 601bis, de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 2.000 euro niet overschrijdt.” 

Bijvoorbeeld: de onderneming wiens vordering met een waarde van 500 euro wordt afgewezen door de ondernemingsrechtbank (in de veronderstelling dat de verwerende partij ook een onderneming is), zal zich niet tot het hof van beroep kunnen wenden om haar gelijk te halen. De grens van 2.500 euro werd immers niet overschreden.

Deze grenzen hebben een belangrijke proceseconomische functie. Ten eerste vermijden ze dat hoger beroep wordt ingesteld tegen bagatelzaken (“de minimis non curat praetor”). Ten tweede reflecteren ze duidelijk de intentie van de wetgever om de aanhoudende overbelasting van de appelgerechten, en de bijbehorende lange wachttijden (denk bijvoorbeeld aan het hof van beroep van Brussel), enigszins onder controle te houden, teneinde een vlotte(re) rechtsbedeling te verwezenlijken.

De appellabiliteitsgrenzen zijn door de jaren heen herhaaldelijk gewijzigd. Deze wijzigingen zijn echter niet van de nodige kritiek gespaard gebleven in de juridische wereld. Zo zou de herverdeling van de werklast tussen de vredegerechten en de rechtbanken van eerste aanleg, die een wijziging van de appellabiliteitsgrenzen indirect tot gevolg heeft, soms ietwat disproportioneel en weinig doordacht lijken.

Overgangsregeling van Potpourri VI

De wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde (“Potpourri-VI”) voerde wederom enkele belangrijke wijzigingen door. Naast een verhoging van de bevoegdheid ratione summae van de vrederechter van 2.500 naar 5.000 euro, werden ook de appellabiliteitsgrenzen opnieuw aangepast. Deze wijziging verhoogt de appellabiliteitsgrens voor vonnissen van de vrederechter van 1.860 tot 2.000 euro. Vonnissen waarin uitspraak wordt gedaan over vorderingen die deze grens niet overschrijden zijn dus niet langer vatbaar voor hoger beroep. Deze wijziging beoogde wederom een werklastvermindering voor de rechtbank van eerste aanleg, die voor dergelijke vonnissen van de vrederechter aldus niet langer moet fungeren als beroepsinstantie.

Opvallend is dat de wetgever ditmaal, in tegenstelling tot bij de drie voorgaande wijzigingen van de aanleggrens, in een overgangsbepaling heeft voorzien. Zo is de nieuwe regeling van toepassing op vorderingen die aanhangig gemaakt worden vanaf de inwerkingtreding op 1 september 2018. De wetgever heeft echter, zowel in de wettekst als in de parlementaire voorbereiding, nagelaten om te verduidelijken of dit moment van aanhangigmaking betrekking heeft op de dag dat de vordering in eerste aanleg, dan wel in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt. Deze lacune had, zeker in de periode onmiddellijk na de wetswijziging, enige rechtsonzekerheid tot gevolg.

Nu het stof rond de wijziging is gaan liggen, wordt vrijwel algemeen aangenomen dat de wetgever hier de datum van aanhangigmaking in eerste aanleg bedoeld heeft. Een interpretatie waarbij de peildatum de datum van inleiding in hoger beroep is, zou namelijk problemen creëren inzake de rechtmatige verwachtingen van rechtszoekenden. Vorderingen die bij aanhangigmaking in eerste aanleg, daterend van vóór de wijziging, wel appellabel waren volgens de op dat moment toepasselijke appellabiliteitsgrenzen zouden door de verhoging van de aanleggrenzen plots de mogelijkheid tot hoger beroep kunnen ‘verliezen’ gedurende het geding.

Gewijzigde waarde, waarde van de wijziging

Daarnaast veroorzaakte de wijziging onduidelijkheden wat betreft vorderingen met een waarde tussen 2.500 en 5.000 euro, aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg vóór 1 september 2018. Overeenkomstig artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtbank van eerste aanleg nog steeds bevoegd om in deze zaken uitspraak te doen. Indien tegen dergelijk vonnis echter hoger beroep wordt ingesteld, stelt zich de vraag bij welke rechter dit beroep aanhangig moet worden gemaakt.

Indien men deze keuze laat afhangen van de waarde van de vordering, zou de nieuwe regeling tot gevolg kunnen hebben dat de rechtbank van eerste aanleg zowel in eerste aanleg als in beroep uitspraak moet doen over eenzelfde zaak. Dat leidt mogelijk tot praktische problemen: zal de rechtsonderhorige effectief kunnen rekenen op een ernstige beoordeling van diens grieven in hoger beroep, nu dezelfde instantie – waarschijnlijk een andere kamer – dezelfde argumenten opnieuw zou beoordelen? Daarnaast zou deze interpretatie ook manifest indruisen tegen de ratio legis van de wijziging van de aanleggrenzen, zijnde een verlichting van de werklast van de rechtbanken van eerste aanleg. Bijgevolg is het vanuit proceseconomisch perspectief aangewezen om de zienswijze te volgen dat de rechter die het vonnis geveld heeft, de bevoegdheid van de appelrechter bepaalt. Daardoor zal het hof van beroep het beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg behandelen, hetgeen voor deze specifieke vorderingen (waarde tussen 2.500 en 5.000 euro en aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg vóór 1 september 2018) natuurlijk als neveneffect heeft dat het de werklast van het hof van beroep blijft verzwaren. Hoe dan ook zal dat neveneffect beperkt zijn tot de hogergenoemde groep van specifieke vorderingen, die beslecht zijn in eerste aanleg en waarvoor de termijn voor hoger beroep nog niet is verstreken.

Een belangrijke vaststelling is dat, waar de wetgever dus de bedoeling had om de gerechtelijke achterstand en overbelasting van de rechtbanken van eerste aanleg te verlichten, de recente wijziging van de aanleggrenzen ook zeer veel onduidelijkheden veroorzaakt heeft, met de nodige frustraties tot gevolg. Daarnaast zal, nu het verkleinen van de gerechtelijke achterstand een werk van lange adem blijkt, deze wijziging van de aanleggrenzen hoogstwaarschijnlijk niet de laatste zijn…

Julie Lormans is masterstudente rechten aan de KU Leuven.  In het kader van het seminarie Gerechtelijk Privaatrecht schreef ze een noot onder een arrest van het hof van beroep te Luik van 8 november 2017.

Sebastian Tytgat is deeltijds praktijkassistent gerechtelijk recht aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven) en advocaat aan de balie van Brussel.

Deze blogpost is gebaseerd op een annotatie in het kader van het masterseminarie Gerechtelijk Privaatrecht.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.