Naar een algemeen wettelijk rookverbod in voetbalstadions? Enkele lessen uit het grondwettelijk recht.

Print Friendly, PDF & Email

No smoking decal

Op vrijdag 25 september 2020 werd em. prof. dr. baron André Alen, voorzitter van het Grondwettelijk Hof, toegelaten tot het emeritaat. Daags voordien verscheen het Liber amicorum André Alen, getiteld ‘Semper perseverans’, als eerbetoon. Een speciale blogreeks vestigt de aandacht op verschillende bijdragen in het boek. De bijdrage van David Keyaerts handelt over de (potentiële) impact van het gelaagde grondwettelijk recht op de toegang tot en de toegankelijkheid van de voetbalwereld. Deze blogpost gaat in op één van de onderzochte aspecten: het ontbreken van een wettelijk rookverbod in de tribunes van voetbalstadions.

Raakvlakken tussen de voetbalwereld en het grondwettelijk recht

Wie de nieuwsberichten de afgelopen jaren heeft gevolgd, kon er niet aan ontsnappen. Voetbal, zowel in zijn actieve als in zijn passieve belevingsvorm, gaat gepaard met maatschappelijke fenomenen zoals geweld, vandalisme, racisme, matchfixing, gokken, passief roken, fiscale en sociale fraude, uitsluiting en mensenhandel. Voor enkele van die fenomenen of uitdagingen heeft de wetgever nog niet ingegrepen. Obstakels, voortvloeiende uit het grondwettelijk recht in de gelaagde rechtsorde kunnen daarvoor een verklaring zijn. Er duiken bij het (niet-)ingrijpen van de wetgever in de voetbalwereld – die op het professionele niveau een stevige economische sector vormt – vraagstukken op, onder meer wat betreft de bevoegdheidsverdelende regels, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van handel en nijverheid, het recht op gezondheid, het recht op een eerlijk proces, enz. Dit blijkt ook uit het feit dat onder meer de Koninklijke Belgische Voetbalbond (Arbitragehof 6 mei 1997, nr. 28/97 en 11 februari 1998, nr. 11/98), de Pro League (Arbitragehof 25 november 1999, nr. 124/99), voetbalclubs en figuren uit de voetbalwereld (GwH 6 februari 2020, nr. 16/2020) al partij zijn geweest in procedures voor het Grondwettelijk Hof.

De vraag rijst of, hoe en in welke mate maatregelen die de toegang tot het voetbal beperken (bv. uitoefeningsvoorwaarden voor de diensten van private bemiddeling in de voetbalwereld) of omgekeerd de toegankelijkheid voor velen versterken (bv. een algemeen rookverbod, een gokreclameverbod en het gebod om zich behoorlijk te gedragen in en rondom het voetbalstadion) mogelijk zijn. Om die vraag te beantwoorden gaat de bijdrage na welke lessen er prima facie kunnen worden getrokken uit het gelaagde grondwettelijk recht, meer in het bijzonder uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, en in voorkomend geval, van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof voor de rechten van de mens (‘EHRM’).

Deze blogpost beperkt zich tot het onderzoeken van het ontbreken van een wettelijk rookverbod in de tribunes van voetbalstadions.

De noodzaak van een wetgevend optreden

Het valt niet te ontkennen dat de aanwezigheid van rokers de toegankelijkheid van een wedstrijd in een voetbalstadion voor het overgrote deel van het  (potentiële) publiek in zeker mate belemmert. Roken in tribunes roept ernstige vragen op omtrent de gezondheid en bescherming van supporters, in het bijzonder van kinderen, en de vele medewerkers van de club. Het EHRM oordeelde onder meer ten aanzien van gedetineerden (met beperkte bewegingsvrijheid, geen keuze m.b.t. de directe nabijheid van anderen, al dan niet rokers) dat uit de artikelen 3 en 8 van het EVRM een op de overheid rustende positieve verplichting voortvloeit om eenieder, a fortiori personen met een gezondheidsrisico, te beschermen tegen de schadelijke effecten van het roken (EHRM 13 september 2005, Ostrovar t. Moldavië; EHRM 10 januari 2012, Shahanov t. Bulgarije). In tegenstelling tot de strenge houding van het EHRM inzake de bewijslast, lijkt het Grondwettelijk Hof zelf al voldoende overtuigd van de directe schadelijkheid van passief roken (GwH 15 maart 2011, nr. 37/2011, B.7). Dat (passief) roken schadelijk is voor de gezondheid en het comfort van de supporter en medewerker in de tribune van het voetbalstadion, staat niet ter discussie. Aangezien een supporter geen enkele zeggenschap, kennis of controle over zijn directe omgeving en de nabijheid van rokers op de tribune heeft, kan men verdedigen dat op de overheid de verplichting rust om deze personen te beschermen. Het volledig en absoluut rookvrij maken zou, zoals dat voor de horeca al het geval is geweest, aldus de toegankelijkheid vergroten en verbeteren.

Een aantal voetbalclubs maakte de facto reeds voor de COVID-19-crisis op vrijwillige basis zijn tribunes geheel of gedeeltelijk rookvrij, bij wedstrijden van de nationale teams deed de Koninklijke Belgische Voetbalbond hetzelfde en de Pro League besloot in 2020 in het kader van COVID-19-protocollen tot een algemeen rookverbod in de tribunes. In mei 2021 besliste de Pro League om het voormelde tijdelijke algemene rookverbod definitief te maken. Toch geniet niet elke supporter overal en altijd dezelfde waarborgen. Zo geldt het algemeen rookverbod in de schoot van de Pro League slechts in de stadions van de clubs die tot de Pro League behoren. Ook het verbod van Koninklijke Belgische Voetbalbond geldt enkel in de stadions waar de nationale teams hun wedstrijden spelen. Aangezien de maatschappij vandaag nog niet volledig rookvrij is en gelet op het beperkte, tijdelijke en vrijwillige karakter van de voormelde initiatieven, valt aan het passief roken in de tribunes van voetbalstadions niet altijd en overal te ontsnappen. Aldus lijkt een wetgevend optreden de enige manier om eenieder dezelfde waarborgen inzake gezondheid te bieden.

Welke overheid is bevoegd?

Wie in deze aangelegenheid wetgevend dient op te treden, kan worden benaderd vanuit diverse aanknopingspunten. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan preventieve gezondheidszorg of sport, bevoegdheden van de gemeenschappen (artikelen 4 en 5 BWHI). Uit het arrest nr. 31/2016 van het Grondwettelijk Hof blijkt echter dat, hoewel de bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg bij de gemeenschappen berust, de federale wetgever nog bevoegd is om een rookverbod in te stellen. Eenzelfde redenering lijkt mutatis mutandis te gelden ten aanzien van de bevoegdheid inzake sport. Het is geen uitzondering dat de federale bevoegdheid uiteindelijk doorweegt. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat, wat de onderzochte aangelegenheden (vb.  een gokreclameverbod bij sportwedstrijden: zie naar analogie o.a. Arbitragehof 30 juni 2005, nr. 114/2005; Arbitragehof 5 februari 1992, nr. 6/92; Arbitragehof 30 september 1999, nr. 102/99) betreft, vaak de bevoegdheden van de federale overheid blijken te primeren op die van de gemeenschappen. Aldus komt het aan de federale wetgever toe om wetgevend op te treden inzake het rookverbod in voetbaltribunes.

Komt de bevoegde wetgever tegemoet aan de verwachtingen?

De federale wet van 22 december 2009 betreffende een regeling voor rookvrije plaatsen en ter bescherming van de bevolking tegen tabaksrook  verbiedt op bepaalde plaatsen te roken. Evenwel lijkt het roken op zittribunes in voetbalstadions aan dit verbod te ontsnappen.

Het is krachtens de vigerende regeling verboden te roken in gesloten plaatsen (artikel 2, 2°) die voor het publiek toegankelijk zijn (artikel 3, § 1). Dit betekent dat in “overheidsgebouwen, stations, luchthavens, handelszaken, cafés, bars, dancings, restaurants, ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, kinderdagverblijven, plaatsen waar vertoningen plaatsvinden (concertzalen, theaters), plaatsen waar tentoonstellingen worden georganiseerd, plaatsen waar sport wordt beoefend” niet mag worden gerookt. Door de beperking van het rookverbod tot “gesloten plaatsen”, omschreven als plaatsen die door wanden en een plafond of zoldering zijn afgesloten van de omgeving, zijn onder meer de business seats, kantines, persruimtes, kantoren en kleedkamers van voetbalstadions wettelijk rookvrij. Het wettelijk rookverbod wordt blijkens een antwoord van de bevoegde minister op een schriftelijke vraag echter zo geïnterpreteerd dat de zittribunes – in zoverre het een voetbalstadion zonder een volledig gesloten dak betreft – niet rookvrij behoren te zijn. Die invulling van het rookverbod roept in het licht van de doelstelling om de gezondheid te beschermen vragen op. De pertinentie van het criterium dat de toepassing van het verbod bepaalt, zijnde het begrip “gesloten plaats”, is niet duidelijk als blijkt dat het risico en de hinder voor de gezondheid ook voorhanden zijn op plaatsen die buiten de invulling van dat begrip vallen. Het deels open karakter van het stadion is van weinig belang wanneer een persoon circa 120 minuten in de directe nabijheid van een hardnekkige roker zit. Voor de niet-roker kan dit immers zowel psychisch, fysiek als qua comfort storend zijn en dus raken aan zijn gezondheid.

Dat het rookverbod zo wordt ingevuld dat zittribunes in voetbalstadions daar niet onder ressorteren wekt verbazing. Voetbalwedstrijden trekken immers veel jongeren aan en het volgen van de wedstrijd op een tribune in een druk stadion valt vaak, wat de hinder en gevolgen van passief roken in de directe nabijheid van een roker betreft, niet te onderscheiden van het volgen van een wedstrijd op tv in een druk café. Dat het rookverbod ook in de tribunes toepassing zou kunnen en zelfs zou moeten vinden, blijkt ook wanneer we naar de invulling van een soortgelijk verbod in Nederland kijken. Uit de Nederlandse rechtspraak (ECLI:NL:CBB:2018:630; ECLI:NL:RBROT:2017:10059) blijkt dat de Nederlandse wet en de uitvoering daarvan zo worden geïnterpreteerd dat tribunes in voetbalstadions onder het rookverbod inzake sportinfrastructuur vallen en dat die tribunes noch kunnen worden gelijkgesteld met plaatsen “in de open lucht”, noch met buitenterrassen van de horeca, waarvoor het verbod niet geldt.

Het rookverbod in de horeca als leidraad

In de bijdrage wordt ook ingegaan op de bestaanbaarheid van een (ontbrekend of voorgenomen) wetgevend optreden met de Grondwet. Er kunnen in dat verband lessen worden getrokken uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot het rookverbod in de horeca. Het Hof wijst erop dat alle bezoekers en werknemers op gelijke wijze dienen te worden beschermd tegen de schadelijke gevolgen van passief roken, zelfs indien de blootstelling slechts minimaal zou zijn. Wat de bezoekers en de medewerkers van een voetbalclub betreft, dient die redenering te worden doorgetrokken. Zelfs al zou er slechts een minimale blootstelling zijn in de tribunes van een voetbalstadion, dan nog dienen de medewerkers én supporters beschermd te worden tegen de gevolgen van het passief roken. Niets verzet zich ertegen dat de tribunes in een stadion als een “gesloten” plaats (dus geen plaats in open lucht) worden beschouwd, zoals dit in Nederland het geval is. Een dergelijke invulling van het rookverbod zou ook meer grondwetsconform zijn. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (arresten van 15 maart 2011, nr. 37/2011 en 3 maart 2016, nr. 31/2016) kan overigens ook worden afgeleid dat een rookverbod in tribunes van voetbalstadions ook geen onevenredige gevolgen voor de rokers of de inkomsten van de voetbalclubs met zich zal brengen. Overigens kan de  wetgever ook zelf de wetsbepalingen verduidelijken of aanpassen in die zin dat het rookverbod ook van toepassing is op de tribunes in voetbalstadions, hetgeen de regeling in overeenstemming zou brengen met de grondwettelijke bepalingen.

Hopelijk neemt de wetgever zijn verantwoordelijkheid ter zake op, zoniet leren de voorbeelden inzake de horeca en Nederland, dat de grondwettelijke rechter in antwoord op pertinente prejudiciële vragen een nuttig alternatief kan zijn om – teneinde het recht op gezondheid zonder onderscheid te beschermen  – tot een coherent rookverbod in voetbalstadions te komen.

Dr. David Keyaerts is referendaris bij het Grondwettelijk Hof en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan het Leuven Centre for Public Law.


David KEYAERTS, "Naar een algemeen wettelijk rookverbod in voetbalstadions? Enkele lessen uit het grondwettelijk recht.", Leuven Blog for Public Law, 4 June 2021, https://www.leuvenpubliclaw.com/naar-een-algemeen-wettelijk-rookverbod-in-voetbalstadions-enkele-lessen-uit-het-grondwettelijk-recht (geraadpleegd op 28 September 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.