Ministeriële verantwoordelijkheid in crisis(tijd)

Print Friendly, PDF & Email

Een spontaan advies van de Nederlandse Raad van State over ministeriële verantwoordelijkheid en het belang daarvan voor een gezonde democratie, zet aan het denken. Een minister is slechts verantwoordelijk voor de aangelegenheden waarvoor deze bevoegd is. Wanneer die bevoegdheid ter discussie staat, wordt het moeilijk. De complexe Belgische staatsstructuur biedt dekking voor de ter verantwoording geroepen minister, maar niet zelden ten koste van het vertrouwen in de politiek zelf. Dat komt de democratie niet ten goede.  De coronacrisis biedt een aantal spijtige voorbeelden. Sebastiaan De Meue licht toe.

Ongevraagd advies in het belang van de democratie

In een ‘ongevraagd advies’ van 15 juni 2020 onderzoekt de Nederlandse Raad van State de inhoud en efficiëntie van de principes van ministeriële verantwoordelijkheid. De Raad verantwoordt dit initiatief door verwijzing naar het grote maatschappelijke belang van een overheid die publieke verantwoording aflegt, en dit in het bijzonder tijdens de coronacrisis:

“Wil de democratie zijn kracht behouden dan moet de overheid een gezicht hebben: burgers, kiezers moeten in alle openheid kunnen zien wie van de overheid waarop aanspreekbaar is. Dat is voor het vertrouwen van de burger in de overheid cruciaal. Burgers moeten kunnen begrijpen wat de overheid doet en kunnen zien wie namens de overheid uitleg geeft over de keuzes die zijn gemaakt en hoe ze worden uitgevoerd. En die ook eerlijk zegt wat níet is gelukt of wat de overheid níet kan leveren. De corona-crisis illustreert eens te meer hoe belangrijk dat is. Als de overheid zich duidelijk aanspreekbaar toont, zullen burgers ook eerder inzien dat de overheid niet alles kan en dat ook de overheid fouten maakt het blijft mensenwerk.”

Het advies is in zijn geheel lezenswaardig, en toont de meerwaarde van zo’n spontane adviesmogelijkheid aan, die in België niet bestaat.

De analyse van de Nederlandse Raad van State zet  aan het denken. Ook in België maakt de ministeriële verantwoordelijkheid een van de kernmechanismen van de parlementaire democratie uit. Kan de Belgische burger  nog “zien wie van de overheid waarop aanspreekbaar is”?

Ministeriële verantwoordelijkheid in België

De basisbeginselen van ministeriële verantwoordelijkheid zijn zowel op federaal als op deelstatelijk niveau vergelijkbaar met de Nederlandse regeling. De regeringen en hun individuele ministers zijn verantwoording verschuldigd aan de volksvertegenwoordigers. De parlementaire controle bestaat onder meer uit een vragenrecht, een interpellatierecht, en een recht van onderzoek.

De verantwoordelijkheid is van louter politieke aard en houdt dus geen ‘schuld’ of ‘aansprakelijkheid’ in. De minister is verantwoordelijk voor wat hem of haar toerekenbaar is wegens de band met de eigen bevoegdheid, en dit ongeacht de feitelijke betrokkenheid.

Wanneer de ministeriële verantwoording tekortschiet, kan het parlement het vertrouwen in die minister formeel opzeggen (zie bv. art. 138 van het Reglement van de Kamer). Hoewel het slechts uitzonderlijk zo ver komt, gebeurt het wel dat de minister zijn of haar ‘conclusies trekt’, en de eer aan zichzelf houdt. Dit laatste is geen juridische toepassing van de regels van ministeriële verantwoordelijkheid, maar houdt daar wel verband mee. De druk van de publieke opinie vertaalt zich dermate in het parlement en de ruimere (partij)politieke verhoudingen, dat de minister zelf zijn of haar ‘verantwoordelijkheid neemt’.

De evoluties die volgens de Nederlandse Raad van State leiden tot een ‘haperend samenspel’, lijken zich ook in België voor te doen. Ook hier rijst bijvoorbeeld de vraag hoe een minister verantwoordelijk kan zijn voor een regulator die net aan bestuurlijk toezicht is onttrokken. In de parlementen lijkt eveneens een ‘incidentgedreven verantwoordingscultuur’ vorm te krijgen. De (vermeende) interne ambtelijke correspondentie wordt bij de parlementaire discussies betrokken, en ambtenaren worden vaker rechtstreeks en publiek verantwoordelijk gehouden, soms zelfs door de ‘eigen’ minister.

Er is evenwel een groter probleem. De complexe bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de deelstatelijke entiteiten maakt het nog veel moeilijker om de bevoegde en dus verantwoordelijke minister(s) te identificeren en ter verantwoording te roepen.

Om het met de woorden van de Nederlandse Raad van State te zeggen:

de variëteit aan instellingen levert een onoverzichtelijke en niet altijd consistente verdeling van taken en verantwoordelijkheden op die door elke instelling vanuit deelaspecten en deelbelangen worden uitgeoefend. De verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid voor het geheel raakt daardoor gemakkelijk zoek. Hier manifesteert zich het probleem van de ‘vele handen’: als de politieke verantwoordelijkheid te zeer wordt gespreid, is als het erop aankomt niemand meer verantwoordelijk.”

De coronacrisis: vele handen en een haperend samenspel

De coronacrisis heeft dat treffend geïllustreerd. Bevoegdheidsdiscussies hinderen niet enkel het effectieve bestrijdingsbeleid, maar doen ook de vraag rijzen naar wie nu verantwoordelijk is. Erger nog: de burger krijgt de indruk dat niemand meer verantwoordelijk is.

Neem nu de contactopsporing (‘contact tracing’). Nadat de federale overheid de eerste initiatieven nam, werd deze taak medio april 2020 ‘overgedragen’ aan de gemeenschappen. Deze zijn bevoegd voor de preventieve gezondheidszorg, en dus, zo bleek, ook voor de analoge en digitale contactopsporing. De gegevens van het federale Sciensano kunnen evenwel niet zomaar ter beschikking gesteld worden van de contactopsporingscentra, omdat de federale overheid daarvoor niet bevoegd is. De algemene privacyregels moeten dan weer wel federaal worden bepaald. Wie is er dan verantwoordelijk voor de stroeve opstart van de contactopsporing?

Een ander voorbeeld betreft de woonzorgcentra. Verschillende rapporten bevestigen dat de coronacrisis daar heeft geleid tot schrijnende en mensonwaardige omstandigheden. De vraag naar verantwoordelijkheid leidt opnieuw tot een bevoegdheidsdiscussie. De woonzorgcentra vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen, maar veronderstelt dit ook de verantwoordelijkheid voor de aankoop van beschermend materiaal? Van testmateriaal? Wat als ziekenhuizen de opname van COVID-19-patiënten uit woonzorgcentra weigeren?

Om in dit moeilijke bevoegdheidskader toch te kunnen besturen, is in de afgelopen maanden een ad hoc samenwerkingsfederalisme ontwikkeld. De deelstaten krijgen een zetel in de Nationale Veiligheidsraad en nemen deel aan de besluitvorming. Het bestrijdingsbeleid wordt uitgevoerd via allerlei interfederale comités en werkgroepen. De verdeling van taken en verantwoordelijkheden is er daarbij niet eenvoudiger op geworden.

Wanneer het fout loopt, minimaliseren de (mogelijk) bevoegde ministers hun eigen verantwoordelijkheid, met verwijzing naar andere niveaus. De discussie over bevoegdheid (en dus verantwoordelijkheid) wordt eigenlijk niet duidelijk beslecht. De burger blijft ondertussen achter met het idee dat er weliswaar een ongezien aantal ‘bevoegde’ ministers is, maar dat niemand daarvan verantwoordelijkheid opneemt.

Zo verkeert ook de ministeriële verantwoordelijkheid in crisis.

Een staatkundig en democratisch probleem

Het probleem is daarbij tweezijdig.

Vooreerst is er een constitutioneel en staatkundig probleem. De bevoegdheidsverdelende regels lijken zich niet te lenen tot de efficiënte bestrijding van een gezondheidscrisis. Het geïmproviseerde samenwerkingsfederalisme leidt tot een onduidelijke taakverdeling met een te grote spreiding van verantwoordelijkheden, die de parlementaire controle bemoeilijkt.

Bovendien is er een ruimer democratisch probleem. Er is onvoldoende transparantie over de individuele verantwoordelijkheden, en de bevoegdheidsdiscussies kunnen in wezen enkel nog door experts worden beslecht. Ook voor journalisten is de materie eigenlijk te technisch. Terwijl de bekritiseerde minister zich verschuilt achter de staatsstructuur, verliest de burger zijn vertrouwen in de overheid, of misschien zelfs in het parlementaire democratiemodel.

Na die pijnlijke vaststelling volgt helaas geen kant-en-klare oplossing.

Een duidelijkere bevoegdheidsverdeling kan helpen, maar ‘homogene bevoegdheden’ zijn zowat de heilige graal van de staatshervorming. De werkelijkheid draait meestal anders uit. De staatshervorming is het compromis à la belge bij uitstek.

Ondertussen is het roeien met de riemen die we hebben. De bestaande bevoegdheidsverdeling wordt best zo duidelijk en transparant mogelijk afgebakend, zodat de betrokken ministers ook ter verantwoording kunnen worden geroepen.

Het idee dat niemand verantwoordelijk zou zijn, is alvast onaanvaardbaar.

Sebastiaan De Meue is advocaat aan de balie te Brussel, en nog tot het einde van deze zomer praktijkassistent Administratief recht aan het Leuven Centre for Public Law van de KU Leuven.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.