Meertalige communicatie in crisissituaties: nood aan een wettelijk kader

Print Friendly, PDF & Email

Een van de uitdagingen om de verspreiding van het coronavirus een halt toe te roepen is gerelateerd aan de maatschappelijke taaldiversiteit. In sommige media werd gesteld dat bepaalde bevolkingsgroepen moeilijk te bereiken zijn via de voorgeschreven taal of talen en via de klassieke kanalen voor overheidscommunicatie. Als antwoord op die uitdaging verspreiden diverse besturen op federaal, Vlaams en lokaal niveau meertalige boodschappen om het publiek te informeren over de manieren waarop de verspreiding van Covid-19 kan worden tegengegaan en over de maatregelen die de overheid heeft genomen. Het aantal gebruikte talen en de manier waarop die berichten zijn opgesteld variëren. Andere besturen hanteren dan weer enkel de voorgeschreven taal of talen in hun communicatie.

Verschillende actoren namen een standpunt in over die meertalige boodschappen. Zo meldde het Vlaams Agentschap Binnenlands Bestuur op zijn website dat er een afwijking op de Bestuurstaalwet geldt voor de communicatie over maatregelen genomen in het kader van het coronavirus. De burgemeester van Antwerpen, Bart De Wever, stelde in een interview dat hij de taalwet had opgeschort. Vlaams parlementslid Filip Dewinter hekelde dan weer op Twitter dat meertaligheid werd ingevoerd en kondigde aan een klacht in te dienen. Alhoewel een meertalige communicatie om de ganse bevolking te bereiken tijdens de coronacrisis evident kan lijken, kunnen er zowel vanuit mensenrechtelijk perspectief als vanuit de Bestuurstaalwet vragen worden gesteld.

Mensenrechten

Meertalige communicatie in crisissituaties lijkt ons mensenrechtelijk zeer verantwoordbaar op basis van internationale rechtsnormen met directe werking. België loopt het risico op een veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als overheidscommunicatie geen adequate informatie verstrekt wanneer het leven of de fysieke integriteit van personen wordt bedreigd. Er rusten immers positieve verplichtingen op de Belgische staat ten aanzien van zijn inwoners in overeenstemming met het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op privéleven (artikel 8 EVRM). Het EHRM heeft al gesteld dat die artikelen een positieve verplichting voor staten inhouden om een wettelijk en administratief kader te installeren dat een effectieve bescherming biedt ten aanzien van bedreigingen op het leven en op de fysieke integriteit (EHRM 20 maart 2008, Budayeva t. Rusland en EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko t. Rusland). Staten moeten stappen ondernemen, bij een reëel en imminent risico op het leven of op de fysieke integriteit dat de autoriteiten kennen of behoren te kennen.

Als onderdeel van de vereiste stappen om het leven te beschermen, geldt volgens het Hof een recht van het publiek op informatie krachtens artikel 2 EVRM. Ook op basis van artikel 8 EVRM, meer specifiek in het kader van de fysieke integriteit en gezondheid, identificeerde het Hof een verplichting om essentiële informatie aan het publiek ter beschikking te stellen (EHRM 5 december 2013, Vilnes t. Noorwegen). Het recht van het publiek op informatie houdt in dat inwoners moeten worden geïnformeerd over levensbedreigende risico’s van bepaalde activiteiten en natuurlijke gevaren. De risico’s veroorzaakt door een pandemie lijken daaraan te beantwoorden. De keuze van de middelen en de praktische maatregelen om die effectieve bescherming te bieden valt binnen de appreciatiemarge van staten. Voorts mag het recht van het publiek op informatie niet leiden tot een onmogelijke of disproportionele last voor staten. Wel moeten ze redelijke en adequate maatregelen nemen.

Alhoewel het Hof nog geen taalgerelateerde verplichtingen heeft afgeleid uit dat recht van het publiek op informatie, staat het ons voor dat een effectieve en adequate communicatie in bepaalde situaties anderstalige berichten kan vereisen, als het recht op leven of op fysieke integriteit bedreigd is. Anders zou dat recht theoretisch en illusoir blijven. De Commissie van Venetië, een adviesorgaan van de Raad van Europa op het gebied van grondwettelijk recht, benadrukte ook al het belang van uitzonderingen voor het gebruik van andere talen dan de officiële taal of talen in crisissituaties (CDL-AD (2019)032).

Communicatie in enkele andere talen legt staten ook geen onmogelijke last op, zoals de praktijk nu overigens bewijst. Die praktijk wijst er voorts op dat administraties zich bewust zijn van de risico’s verbonden aan een communicatie die door een gebrek aan kennis van de voorgeschreven taal of talen bij een deel van de bevolking haar doel niet bereikt. Een uitzonderlijk gebruik van andere talen naast de voorgeschreven taal of talen in crisissituaties doet weinig af aan het territorialiteitsbeginsel of aan de ruimte die staten genieten om hun officiële taal of talen te beschermen en te promoten.

Bestuurstaalwet

De Bestuurstaalwet laat echter weinig ruimte voor het gebruik van andere talen naast de voorgeschreven taal of talen. Artikel 11 Bestuurstaalwet stelt dat plaatselijke diensten in het Nederlandse taalgebied uitsluitend het Nederlands gebruiken in hun berichten en mededelingen die voor het publiek bestemd zijn. In de faciliteitengemeenten moeten lokale besturen het Nederlands en het Frans hanteren voor die communicatie. De Gewone Wet tot Hervorming der Instellingen bepaalt dat de diensten van de Vlaamse regering het Nederlands gebruiken als bestuurstaal, met een speciale regeling voor de berichten met betrekking tot de faciliteitengemeenten.

Het is echter vaste adviespraktijk van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) dat besturen een andere taal dan de voorgeschreven taal of talen mogen gebruiken onder vier voorwaarden. Het moet (1) een niet-systematisch gebruik zijn, (2) verantwoord door een bijzonder doel, (3) naast de voorgeschreven taal of talen en (4) bestemd voor een specifiek doelpubliek.

Communicatie beperkt tot informatie in het kader van de coronacrisis is geen systematisch gebruik van andere talen door een bestuur en beantwoordt zo aan de eerste voorwaarde. Alhoewel enkele adviezen van de VCT wijzen op een verenging van de tweede voorwaarde tot doelen gerelateerd aan integratie, is het aannemelijk op basis van andere adviezen (VCT 5 december 2008, nr. 40.114) dat de VCT bijvoorbeeld de bescherming van de volksgezondheid als een bijzonder doel zou aanvaarden voor berichten gerelateerd aan coronamaatregelen. De derde voorwaarde houdt in dat de tekst eerst moet worden gesteld in de voorgeschreven taal of talen en dat er expliciet moet worden vermeld dat het een vertaling uit die taal of talen betreft. Niet in alle communicatie over het coronavirus wordt die derde voorwaarde gerespecteerd. De laatste voorwaarde uit de adviespraktijk van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, het specifiek doelpubliek, werd in enkele recente adviezen verengd tot personen die zich in een eerste integratiefase bevinden (VCT 15 april 2016, nr. 48.068). Dat specifieke doelpubliek lijkt niet te spelen voor besturen bij meertalige communicatie in het kader van de coronacrisis, waarbij eerder wordt getracht om zoveel mogelijk anderstaligen te bereiken.

Het is afwachten hoe de VCT zou oordelen over bepaalde berichten en mededelingen aan het publiek verspreid naar aanleiding van Covid-19, maar het lijkt duidelijk dat niet alle communicatie strookt met de vier voorwaarden, in het bijzonder in het licht van recente evoluties in de adviespraktijk. Daarenboven geeft de VCT vooralsnog niet expliciet aan in haar adviespraktijk op welke rechtsgrond de uitzondering op artikel 11 Bestuurstaalwet wordt toegestaan.

Zo lijkt die adviespraktijk geen solide juridische basis voor meertalige overheidscommunicatie gerelateerd aan het coronavirus. Aangezien besturen worden geacht de wet toe te passen, biedt ook de piste op basis van hogere rechtsnormen hen weinig houvast. Een rechter moet weliswaar voorrang verlenen aan een internationale norm met directe werking, zoals de artikelen 2 en 8 EVRM. Het is in een rechtsstaat en in het licht van de scheiding der machten zoals georganiseerd in België echter allerminst vanzelfsprekend voor een bestuur om een wet buiten toepassing te laten. Voorts bepalen artikelen 2 en 8 EVRM niet precies in welke omstandigheden het gebruik van andere talen vereist is, laat staan welke talen er moeten worden gebruikt.

Een kader voor het taalgebruik door besturen in crisissituaties zou dus de rechtszekerheid ten goede komen en willekeur tegengaan. Uit de legaliteitsvereiste vervat in artikelen 30 en 129 Gw. vloeit voort dat dit kader moet worden opgesteld door de bevoegde wetgever. Het komt noch een Vlaams of lokaal bestuur, noch de VCT toe om de Bestuurstaalwet te wijzigen. Zo’n wettelijk kader kan aangeven welke omstandigheden beantwoorden aan de kenmerken van een crisissituatie (met betrekking tot het taalgebruik door administraties) en criteria aangeven om te bepalen welke taal of talen kunnen of moeten worden gebruikt door een bepaald type van administratie. Dat kader moet uiteraard de voorrang van de taal van het gebied (artikel 4 Gw.) en het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (artikelen 10 en 11 Gw.) respecteren.

Jonathan Bernaerts is postdoctoraal onderzoeker aan het Leuven Centre for Public Law van de KU Leuven en research partner van het Max Planck Institute for Social Anthropology, ‘Law and Anthropology’ department.

Een eerdere versie van deze post verscheen in De Juristenkrant.


& Jonathan BERNAERTS, "Meertalige communicatie in crisissituaties: nood aan een wettelijk kader", Leuven Blog for Public Law, 28 December 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/meertalige-communicatie-in-crisissituaties-nood-aan-een-wettelijk-kader (geraadpleegd op 29 July 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.