Out with a bang: wie betaalt er na valse bommelding?

Al enkele jaren stijgt het aantal bommeldingen in België gestaag. Regelmatig zitten tussen die bommeldingen valse noten, waarbij de oproep aan de politie geveinsd blijkt. Vaak hangt een stevig kostenplaatje aan de bijhorende evacuatie. Daardoor rijst de vraag in welke mate politiediensten de kosten op de valse bommelder kunnen verhalen. De aansprakelijkheidsvereisten van schade en oorzakelijk verband gooien hierbij potentieel roet in het eten.

Begin mei moesten politiediensten tweemaal in dezelfde week (1;2) een grootscheepse evacuatie ondernemen naar aanleiding van bommeldingen. Beide meldingen bleken vals alarm, de aanzienlijke kosten ervan zijn echter reëel. De politie is wettelijk verplicht om gehoor te geven aan een bommelding. Verhindert die verplichting kostenverhaal via het aansprakelijkheidsrecht?

Inhoud of strekking wet als uitgangspunt schade

Het uitgangspunt van het Hof van Cassatie in deze context is dat het bestaan van een wettelijke verplichting niet uitsluit dat schade in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek ontstaat. Uit de inhoud of draagwijdte van de wet moet dan blijken dat de uitgaven niet definitief voor rekening komen van de overheidsdienst waarop de verplichting rust (Cass. 7 januari 2016).

Er bestaat geen wettelijke regeling die in algemene bewoordingen bepaalt dat kosten van orde- en veiligheidstaken definitief voor rekening van de politiediensten komen. Desondanks oordeelt het hof van beroep te Gent dat uit de strekking van de wetgeving op politie en justitie blijkt dat de uitgaven in het kader van opsporing en bestrijding van vermeende misdrijven definitief ten laste van de politiediensten moeten blijven. Als algemene regel schrijft het hof voor dat de kosten van orde- en veiligheidstaken van algemeen belang definitief ten laste van de overheid blijven, behoudens wettelijke uitzonderingen (Gent 5 mei 2014, RW 2015-16, (1268) 1269; Gent 5 oktober 2015; Gent 1 februari 2016, RW 2016-17, (826) 827-828; Gent 12 juni 2017). Die algemene veiligheidstaken zijn immers “kerntaken”.

Dure intenties?

Het hof van beroep voegt één belangrijke nuance toe. De kosten van een interventie door de politie zijn wél verhaalbaar wanneer de veroorzaker van de kosten een misdrijf pleegt met het bijzondere opzet tot het veroorzaken van overlast of berokkenen van schade, wat een schending van artikel 328 Strafwetboek  is. Ook het Hof van Cassatie overweegt dat een oproep aan de politie door een persoon die goed weet dat die oproep nutteloos is, een fout vormt die schadevergoeding verantwoordt (Cass. 15 maart 1965 ). Buitenlandse rechtsstelsels die kostenverhaal (via het aansprakelijkheidsrecht) in principe evenzeer uitsluiten, kennen deze uitzondering ook (Nederland: HR 14 februari 2017; VS: Daas v. Pearson, 1971, in deze laatste zaak is de eiser een politieagent, niet de politiedienst zelf; het Amerikaanse recht sluit echter ook kostenverhaal door individuele emergency workers uit met de fireman’s rule). Het is evenwel onzeker in welke mate de bommelder steeds de intentie heeft het politiewezen op kosten te jagen. Achter een bommelding op school zou bijvoorbeeld wel eens het willen ontsnappen aan een examen kunnen schuilen…

Wat is een ‘kerntaak’?

Verder is een vraagteken te plaatsen bij de privaatrechtelijke betekenis van het begrip ‘kerntaak’. In parlementaire kringen woedt al enige tijd een debat over wat de kerntaken van de politiediensten inhouden (Parl.St. Kamer 2015-2016, nr. 1694/1). Buiten een KB dat bepaalt dat de lokale politie een minimale dienstverlening moet verzekeren (KB 17 september 2001, p. 35531), is er echter weinig omkadering van het begrip.

Schuilt de betekenis van de ‘kerntaak’ misschien in de aard van de politietaak? De Wet op het Politieambt onderscheidt immers de bestuurlijke van de gerechtelijke politie. Verder kan volgens artikel 90 Wet op de Geïntegreerde Politie een gemeenteraad voor bepaalde prestaties van bestuurlijke politie een retributiereglement  in het leven roepen. De tweedeling tussen bestuurlijke en gerechtelijke politie kwam ook al in de rechtspraak over kostenverhaal aan bod ( Antwerpen 18 januari 2012, verbroken door Cass. 23 oktober 2012). Aangezien beide  taken volgens de wetgever in de handhaving van de openbare orde wortelen (MvT wetsontwerp op het politieambt, Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1637/1, p. 5-7), lijken zij allebei tot het begrip ‘orde- en veiligheidstaak van algemeen belang’ te behoren.

Echter, de nadruk op de ‘opsporing en bestrijding’, lijkt te suggereren dat in ieder geval de gerechtelijke politie een kerntaak uitoefent (zie Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1637/1, p. 7). Het kerntakencriterium lijkt gevormd door de overweging dat de taken van gerechtelijke politie -veelal repressief van aard – klassiek passen in het geweldsmonopolie van de overheid. Dat die taken ‘wezenlijk’ de overheid toebehoren, vindt zijn verklaring in het nauw met dat monopolie samenhangende verbod op eigenrichting (erkend als algemeen rechtsbeginsel in Cass. 24 mei 1976, 1014). Een burger die zich bezondigt aan eigenrichting, plaatst zichzelf op de troon van de overheid. Hij onttrekt zich zo aan het contrat social dat de overheid met haar gezag bekleedt. De ‘overheidskern’ bevindt zich in de exclusieve bevoegdheid om legitiem geweld toe te passen. Bij de opsporing en bestrijding van vermeende misdrijven, mag een politiedienst zich bijvoorbeeld binnen bepaalde grenzen inmengen in de persoonlijke levenssfeer van burgersNiettemin doet de toenemende betrokkenheid van burgers bij de opsporing van misdrijven, in de vorm van burgerinfiltratie en –informatie, het klassieke geweldsmonopolie op dat vlak afkalven.

Als het geweldsmonopolie het kerntakencriterium inderdaad kleurt, dan is er echter geen reden om uitsluitend taken van de gerechtelijke politie als kerntaken te beschouwen. Immers, ook bij taken van bestuurlijke politie, die eerder preventief zijn, is legitiem geweld mogelijk (artikel 37 Wet op het Politieambt). Wellicht is het zinvoller de nadruk te leggen op de mate waarin het algemeen belang gediend is bij de politietaak ten opzichte van het individuele voordeel voor de burger en op de verwijtbaarheid van die laatste (cf. het bijzondere opzet).

In ieder geval leert het kerntakencriterium dat er een bepaalde grens is aan de aansprakelijkheid van de burger ten opzichte van overheidsdiensten. De kosten van politie-interventies zijn niet zomaar verhaalbaar.

Oorzakelijk verband vereist verloren voordeel

Naast schade moeten de politiediensten ook het oorzakelijk verband aantonen tussen de valse bommelding en de gemaakte uitgaven door de politiediensten. Problematisch hier is dat de uitgaven voor de inzet van personeel en materiaal ogenschijnlijk hoe dan ook gemaakt zouden zijn. De  loonverplichting, bijvoorbeeld, vindt zijn oorzaak niet in het foutieve gedrag van de bommelder, maar in de contractuele of reglementaire verhouding met het personeel. Daardoor zou de fout naar de, volgens de klassieke in België gehuldigde equivalentieleer, geen noodzakelijke voorwaarde kunnen zijn voor het optreden van de schade.

De Belgische rechtspraak oordeelt toch dat schadevergoeding mogelijk is.  De rechtspraak beschouwt de onbeschikbaarheid van het ingezette personeel voor de reguliere werkzaamheden als een verloren voordeel (zie bijvoorbeeld Cass. 28 september 1982, nr. 69, 149; Cass. 4 september 1984, nr. 2, 2). Het verloren voordeel bestaat als een concrete schadepost, mogelijk in oorzakelijk verband. Dat de kosten sowieso gemaakt zouden zijn, bemoeilijkt evenwel een oordeel over de omvang van de schade. Het Belgische recht past een abstracte schadebegroting toe, waarbij de loonverplichting als maatstaf dient.

Besluit

De overheidsdiensten betrokken bij een valse bommelding kunnen inderdaad schade lijden. Dat is in ieder geval zo wanneer de melder het bijzondere opzet had om nutteloze kosten te veroorzaken. De onbeschikbaarheid van personeel en materiaal voor de reguliere werkzaamheden kan daarbij een schadepost vormen. Echter, moet dan wel het bewijs worden geleverd dat dat bijzonder opzet aanwezig is…

Christopher Borucki is als voltijds doctoraatsassistent verbonden aan het Instituut voor Verbintenissenrecht KULeuven, waar hij een proefschrift over privaatrechtelijk kostenverhaal door overheidsdiensten voorbereidt. Hij volbrengt zijn onderzoek onder begeleiding van prof. dr. Ilse Samoy, hoofd van hetzelfde instituut, en prof. dr. Steven Lierman, verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.

Deze post breidt een eerder artikel in de Juristenkrant uit.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.