Jeugddelinquentierecht in Brussel: de hoofdpijn van de hoofdstad

Print Friendly, PDF & Email

Bruxelles, ça bouge – en dat is met betrekking tot het jeugddelinquentierecht niet anders. Afgelopen maand doken opnieuw verontwaardigde krantenkoppen op over de vrijlating van Brusselse jongeren ten gevolge van plaatsgebrek in de jeugdinstellingen. Bovendien is de nieuwe regelgeving bijna een jaar na datum nog steeds niet in werking. Het schepencollege van Vorst keurde vorig jaar wel reeds de komst van de eerste jeugdinstelling in Brussel goed, maar ook die zal pas in 2023 operatief zijn. Hoog tijd om de juridische complexiteit van onze hoofdstad te belichten, die verklaart waarom het jeugddelinquentierecht daar tot kopzorgen leidt.

Ten gevolge van de zesde staatshervorming werd het jeugddelinquentierecht grotendeels overgeheveld naar de gemeenschappen, waardoor decretale regelingen de materiële bepalingen van de federale Jeugdbeschermingswet van 1965 vervangen. In 2019 traden het Vlaams Jeugddelinquentiedecreet en het Wetboek van de Franse Gemeenschap inzake preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming reeds in werking.

In het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest was het de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) die het jeugddelinquentierecht mocht vormgeven, wat resulteerde in de Ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. Artikel 95 bepaalt dat de ordonnantie in werking treedt op een datum die de Brusselse regering nader moet bepalen, maar tot nog toe is die datum nog niet bepaald. Brussel heeft immers wel zijn eigen jeugddelinquentiemaatregelen mogen ontwikkelen, die weliswaar nog sterk aansluiten bij de Jeugdbeschermingswet, maar heeft geen eigen diensten.

Het is weinig waarschijnlijk dat Brussel zijn eigen diensten zal ontwikkelen, aangezien de bevoegdheidsoverdracht naar de GGC niet gepaard ging met een toekenning van begrotingsmiddelen. De GGC zal dus eerder een samenwerkingsakkoord moeten bereiken met de Vlaamse en Franse Gemeenschap over de terbeschikkingstelling van hun diensten en instellingen vooraleer de ordonnantie werkelijk effect kan sorteren. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het Verenigd College op 4 april 2019 een eerste akkoord goedkeurde. Sindsdien zijn echter geen verdere ontwikkelingen te bespeuren die groen licht geven aan de inwerkingtreding van de ordonnantie. Gedurende die tijd blijft de federale Jeugdbeschermingswet van toepassing op jeugddelinquenten die hun gezinsverblijfplaats in Brussel-Hoofdstad hebben.

Van Januskop naar punthoofd

Ongeacht de wetgeving die op dit moment op Brusselse jongeren van toepassing is, is de taak van Brusselse jeugdrechters er niet eenvoudiger op geworden sinds de communautarisering. In het jeugddelinquentierecht is niet de plaats van de feiten, maar de gezinsverblijfplaats van de minderjarige het territoriale aanknopingspunt voor zowel de bevoegde jeugdrechtbank als de toepasselijke decretale regelgeving. In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden dan ook zaken behandeld uit twee verschillende taalgebieden: het tweetalige gebied Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en het Nederlandstalige gebied Halle-Vilvoorde. Een jeugdrechter in dat arrondissement moet bijgevolg vertrouwd zijn met twee regelgevingen. Afhankelijk van de gezinsverblijfplaats van de minderjarige die voor hem verschijnt, zal hij meer bepaald de Brusselse ordonnantie (maar dus voorlopig nog de Jeugdbeschermingswet) of het Vlaamse decreet moeten toepassen.

Een ander gevolg van de communautarisering dat vooral in Brussel tot uiting komt, is dat minderjarigen die samen eenzelfde feit plegen volgens verschillende regelgeving berecht kunnen worden, louter omdat ze een andere gezinsverblijfplaats hebben. Volgens de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof kan dit echter geen aanleiding geven tot een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de rechtsregels die tot een verschillende behandeling leiden, van een verschillende wetgever afkomstig zijn.

A s’en perdre la tête…

Daarnaast is de toepassing van het jeugddelinquentierecht in Brussel extra ingewikkeld door de taalkwestie en de ‘ontdubbeling’ van de bepaalde rechtbanken. Procedures in het gerechtelijk arrondissement Brussel kunnen plaatsvinden voor een eentalig Nederlandstalige of eentalig Franstalige rechtbank van eerste aanleg, waartoe de jeugdrechtbank behoort. Ten aanzien van minderjarigen uit het Nederlandstalige gebied Halle-Vilvoorde wordt de procedure automatisch opgestart voor de Nederlandstalige jeugdrechtbank van Brussel, maar de minderjarige mag steeds om een taalwijziging vragen op basis van de Wet Taalgebruik Gerechtszaken. In dat geval wordt de zaak behandeld door een eentalig Franstalige jeugdrechtbank, maar wel nog steeds op basis van de Vlaamse regelgeving omwille van de gezinsverblijfplaats van de de minderjarige.

In principe kunnen plaatsingsmaatregelen die worden opgelegd op basis van het Vlaamse Jeugddelinquentiedecreet echter niet worden uitgevoerd in voorzieningen gevestigd buiten het bevoegdheidsgebied van de eigen gemeenschap. Van dit principe kan evenwel worden afgeweken mits de nodige onderlinge afspraken tussen de gemeenschappen. Bij gebrek daaraan komt een Franstalige jeugddelinquent uit Halle-Vilvoorde tijdelijk in een jeugdinstelling van de Vlaamse Gemeenschap terecht, in plaats van in de Institutions Publiques de Protection de la Jeunesse (IPPJ’s) van de Franse Gemeenschap.

Een dak boven het hoofd

Bijna de helft van de populatie van deze IPPJ’s bestaat uit Franstalige Brusselse jongeren, wat meteen de aanleiding vormt voor de laatste reflectie over het jeugddelinquentierecht in Brussel. De jeugdrechtbank kan een minderjarige namelijk plaatsen in een open of een gesloten regime van een IPPJ. Vier van de zes IPPJ’s hebben een open regime, maar Woutersbrakel is de enige daarvan die ietwat dicht bij Brussel gesitueerd is en heeft bovendien enkel plaatsen voor jongens. De anderen liggen in Fraipont (Luik), Jumet (Charlerloi) en Saint-Servais (Namen), wat het voor geplaatste jongeren uit Brussel bijgevolg vaak moeilijk maakt om hun schooltraject verder te zetten en contact te houden met het thuisfront.

Nochtans hanteert het jeugdrecht als basisprincipe dat maatregelen nabij de leefomgeving van de minderjarige moeten worden uitgevoerd (zie nr. 94 General Comment nr. 24 bij het IVRK en art. 7 Ordonnantie van 16 mei 2019). Om de re-integratie van geplaatste Brusselse minderjarigen te versterken, werd dan ook besloten om een IPPJ te openen in Vorst. Hoewel die aankondiging door vele buurtbewoners niet op gejuich werd onthaald, keurde het schepencollege de plannen wel goed. De goedkeuring gaat wel gepaard met twintig voorwaarden, waardoor de 20 jongens en 10 meisjes pas in 2023 in deze zevende IPPJ terechtkunnen. Het oorspronkelijke idee was bovendien om de capaciteit van de IPPJ in Fraipont te beperken bij de komst van een Brusselse IPPJ, al kwam de destijds bevoegde minister daar even snel op terug. Aangezien nog niet zeker is of de capaciteit van de andere IPPJ’s behouden blijft, valt dus nog af te wachten of de Brusselse IPPJ een oplossing zal bieden voor het plaatstekort dat de afgelopen maand opnieuw persaandacht kreeg.

Kopzorgen voor morgen

Het mag duidelijk zijn dat de staatsstructuur en de bevoegdheidsverdeling voor de nodige complexiteit zorgen in het Brusselse jeugddelinquentierecht. Zowel op het vlak van de toepassing als de uitvoering de regelgeving wordt Brussel geconfronteerd met zijn unieke positie. Het merendeel van de geschetste problematieken zijn zoals vele andere zaken te verhelpen met duidelijke afspraken en de nodige portie geduld. Toch moet er eerder vroeg dan laat een samenwerkingsakkoord gesloten worden tussen de gemeenschappen over de uitvoering van de Brusselse maatregelen, om te vermijden dat de ordonnantie outdated is nog voordat ze van toepassing wordt.

Jantien Leenknecht is FWO-aspirant verbonden aan het Instituut voor Sociaal Recht en het Leuvens Instituut voor Criminologie. Zij doet onderzoek naar de mogelijkheid van een EU-samenwerking in jeugddelinquentiezaken.

Voor meer informatie over grensoverschrijdende jeugddelinquentie, zie de bijdrage van Jantien Leenknecht en Wendy De Bondt in “Het Vlaamse jeugddelinquentierecht”.


J. LEENKNECHT, "Jeugddelinquentierecht in Brussel: de hoofdpijn van de hoofdstad", Leuven Blog for Public Law, 15 April 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/jeugddelinquentierecht-in-brussel-de-hoofdpijn-van-de-hoofdstad (geraadpleegd op 27 October 2020)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.