Intertemporeel recht (deel 3): de toetsing van intertemporeel recht aan hogere rechtsnormen door het Grondwettelijk Hof

Print Friendly, PDF & Email

Uit de blogpost van dr. Thijs Vancoppernolle en deze van Jeroen Van Nieuwenhove blijkt dat wetten en besluiten hun eigen intertemporele werking kunnen bepalen, dat anders de algemene intertemporele regels worden toegepast, en dat de wetgevende praktijk op dat vlak weinig consistent is. De wetgever heeft nochtans geen vrij spel: de keuzes die hij maakt, moeten de grondrechtentoets kunnen doorstaan. Hieronder overloopt Willem Verrijdt de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ter zake in vogelvlucht.

Inzake onmiddellijke werking stelt het Hof zich niet streng op. Inzake retroactiviteit maakt het Hof een onderscheid tussen het strafrecht en de andere materies. In het strafrecht geldt een algemeen retroactiviteitsverbod voor zwaardere strafwetten en een retroactiviteitsgebod voor mildere strafwetten. Buiten het strafrecht neemt de strengheid van het Hof toe naargelang de stand van het rechtsgeding waarin wordt ingegrepen.

Onmiddellijke werking

Verzoekers verwijten de wetgever soms dat hij de cesuur of het aanknopingscriterium onoordeelkundig kiest, soms dat de wet geen overgangsregeling bevat (“te progressief”), maar soms ook dat zij niet onder de nieuwe regeling vallen (“te conservatief”), en soms zelfs een combinatie van die kritieken. Maar aangezien men de wetgever niet mag verbieden om de wet te wijzigen, vergelijkt het Hof nooit de oude versie met de nieuwe versie van een wet en zal het ook de keuze van de cesuur of van het aanknopingscriterium niet te snel ongrondwettig verklaren.

De wetgever beschikt over een ruime appreciatiemarge om al dan niet een overgangsregeling op te nemen. Alleen indien de intertemporele regeling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan of op buitensporige wijze het vertrouwensbeginsel aantast, besluit het Hof tot schending. Het Hof gaat daarbij na of zonder dwingende reden van algemeen belang afbreuk wordt gedaan aan de legitieme verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtszoekenden.

In recente arresten lijkt het Hof op grond van die criteria iets vaker tot schending te besluiten dan vroeger, bijvoorbeeld in de arresten over de activeringsbijdrage en over de buitenlandse ziekenhuisstagiairs.  Uit het arrest over het huisonderwijs blijkt voorts dat de gemeenrechtelijke termijn van inwerkingtreding, tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, ongrondwettig is indien zij het de normadressaat onmogelijk maakt om zich op die nieuwe regeling voor te bereiden.

Meer specifiek in het fiscaal recht heeft de klassieke leer van de “onmiddellijke werking” eigenaardige gevolgen. In de inkomstenbelastingen mag de wetgever tot de laatste dag van het inkomstenjaar nieuwe wetgeving aannemen, die toepasselijk is op het ganse inkomstenjaar. Het Hof noemt dit geen retroactiviteit, maar onmiddellijke werking, terwijl de rechtsonderhorigen zich onmogelijk op die nieuwe wet konden voorbereiden.

Dr. Thijs Vancoppernolle leidt onder meer uit dit voorbeeld af dat de huidige rechtspraak inzake onmiddellijke werking conceptueel onderontwikkeld, onvoorspelbaar en ongenuanceerd is. In plaats van met starre categorieën (in navolging van de Franse rechtsleer “temporele functies” genoemd) te werken, zou het Hof in concreto alle in het geding zijnde openbare en particuliere belangen moeten afwegen in de weegschaal van het vertrouwensbeginsel.

Het strafrechtelijke retroactiviteitsverbod

Strengere strafwetten – dit zijn wetten die een nieuwe strafbaarstelling invoeren of de strafmaat verhogen – mogen niet worden toegepast op feiten die zich voor hun bekendmaking hebben voorgedaan. Omgekeerd moet een mildere strafwet wel terugwerken, in navolging van de Straatsburgse rechtspraak. Daarnaast aanvaardt het Grondwettelijk Hof niet dat een uitgedoofde verjaring retroactief herleeft.

In het strafprocesrecht geldt dit retroactiviteitsverbod niet: nieuwe procedureregels zijn immers onmiddellijk van toepassing op hangende gedingen. Niettemin gaat het Hof na of die onmiddellijke werking van een nieuwe strafprocesregel de “voorspelbaarheid van de strafrechtspleging” niet ondergraaft: dat criterium houdt in dat men alleen mag worden vervolgd op basis van een procedure waarvan men vóór de aanwending ervan kennis kon nemen.

Terugwerkende kracht buiten het strafrecht

Buiten het strafrecht onderscheidt het Hof drie hypotheses. De minst verregaande vorm van retroactiviteit is diegene die geen invloed heeft op de uitkomst van hangende rechtsgedingen. Het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verzetten zich tegen deze “eenvoudige” retroactiviteit, tenzij wanneer zij “absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang”. Uit het overzicht van dr. Thijs Vancoppernolle blijkt dat de toetsingsintensiteit hoger ligt dan bij de onmiddellijke werking, aangezien het Hof in ongeveer de helft van de gevallen tot schending besluit.

Het Hof stelt zich strenger op wanneer een retroactieve wet als doel of als gevolg heeft dat de uitkomst van een hangend rechtsgeding wordt beïnvloed. In dat geval kunnen alleen “uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang” de terugwerkende kracht rechtvaardigen. De interpretatieve wetten nemen op dat vlak een bijzondere plaats in, aangezien zij krachtens artikel 7 Ger.W. net wel moeten worden toegepast in hangende gedingen. De reden daarvoor is dat een “echte” interpretatieve wet niet de rechtszekerheid ondergraaft, maar haar net herstelt in een situatie waarin de onduidelijke formulering van de geïnterpreteerde wet rechtsonzekerheid met zich meebracht.

De meest verregaande vorm van retroactiviteit is een wet die definitieve rechterlijke beslissingen terugdraait. Hier besluit het Hof steeds tot schending: zelfs een mildere strafwet of een interpretatieve wet mogen geen definitieve rechterlijke beslissingen in het gedrang brengen. Een rechterlijke beslissing is “definitief” indien er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer tegen openstaat.

Dr. Thijs Vancoppernolle noemt ook deze categorieën en toetsingscriteria onderbepaald en ongenuanceerd. Bovendien luidt de kritiek dat het Hof zich onvoldoende streng opstelt, met name bij het retroactief ingrijpen in hangende gedingen. Het Grondwettelijk Hof aanvaardt bijvoorbeeld louter budgettaire argumenten als dwingend motief van algemeen belang, terwijl het EHRM zulks verbiedt.  Ook eindigt de toetsing zodra het Hof een dergelijk motief heeft gevonden, zonder dat nog wordt onderzocht of de gevolgen van de terugwerkende kracht voor de rechtszoekende evenredig zijn ten opzichte van de nagestreefde doelstelling.

Die kritiek klinkt ook inzake wetgevende validaties. In die materie oordeelt het Hof vaak dat er geen rechtsonzekerheid kan bestaan omdat de inhoud van de validatiewet overeenkomt met de inhoud van het gevalideerde KB. Ook aanvaardt het dat de wetgever onbeperkt met terugwerkende kracht loutere vormgebreken rechtzet die in een KB vervat zijn.

Besluit

Zowel uit de wetgevende praktijk, weergegeven in de blogpost van Jeroen Van Nieuwenhove, als uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, besproken in deze blogpost, blijkt dat het intertemporeel recht nog te vaak werkt met starre categorieën, de zogenaamde “temporele functies”. In zijn proefschrift bekritiseert dr. Thijs Vancoppernolle die manier van werken en werkt hij een nieuwe opvatting van het intertemporele recht uit. Zijn technische en inhoudelijke herijking van het algemene intertemporele recht zette hij reeds uiteen in de eerste blogpost uit deze reeks. Wat de toetsing aan hogere rechtsnormen betreft, stelt hij in zijn proefschrift voor om alle hierboven vermelde toetsingsmodellen te reduceren tot één toetsingsmodel, namelijk de toetsing van de intertemporele keuzes van de wetgever aan het vertrouwensbeginsel. Het staat nu aan de hogere rechtscolleges, met name het EHRM en het Grondwettelijk Hof, om met dat voorstel aan de slag te gaan, teneinde de nadelen die aan het werken met “temporele functies” verbonden zijn, te vermijden.

Willem Verrijdt is referendaris bij het Grondwettelijk Hof en praktijklector aan de KU Leuven (Leuven Centre for Public Law).

Deze blogpost is een herwerkte versie van een voordracht op een studienamiddag op 25 oktober 2019 naar aanleiding van de uitgave van het proefschrift van dr. Thijs Vancoppernolle over intertemporeel recht.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.