Intertemporeel recht (deel 1): de werking van de wet in de tijd revisited

Print Friendly, PDF & Email

De juridische praktijk wordt vandaag meer dan ooit geconfronteerd met nieuwe wetgeving. Dat leidt niet alleen tot inhoudelijke vragen, maar ook tot vragen rond de werking van nieuwe wetten in de tijd. In deze blogpost stelt dr. Thijs Vancoppernolle de huidige manier van denken over dat leerstuk in zijn geheel in vraag en stelt hij een nieuw systeem voor.

Bij elke wetswijziging rijst de vraag hoe de nieuwe wet in de tijd moet worden toegepast. Is de nieuwe wet alleen van toepassing op toekomstige situaties? Of geldt ze ook voor lopende situaties, of zelfs voor situaties uit het verleden? Dergelijke vragen (ook wel “intertemporele (wets)conflicten” of “(wets)conflicten in de tijd” genoemd) worden beheerst door het “intertemporeel recht”.

De wetgever kan intertemporele conflicten oplossen via overgangsbepalingen in de nieuwe wet. We spreken dan van “uitdrukkelijk intertemporeel recht”. Doet hij dat niet, dan is het “algemeen intertemporeel recht” van toepassing.

Het positieve algemeen intertemporeel recht bestaat in grote lijnen uit vier regels: (1) de nieuwe wet is in principe niet retroactief, (2) maar heeft onmiddellijke werking. (3) Ze is echter niet van toepassing op lopende contracten, (4) tenzij indien ze dwingend is of de openbare orde raakt, in welk geval ze alsnog van toepassing is op lopende contracten.

Technische en inhoudelijke tekortkomingen

Het huidige intertemporeel recht vertoont echter twee grote tekortkomingen.

Ten eerste is het technisch onderontwikkeld. Het werkt met vage en abstracte begrippen, zoals “retroactiviteit”, “onmiddellijke werking” en “eerbiedigende werking”. Die begrippen (“temporele functies” genoemd) worden echter op heel verschillende manieren ingevuld, en ze zijn niet eenvoudig in de praktijk te brengen. Vaak zorgen ze meer voor verwarring dan voor duidelijkheid.

Ten tweede wordt het intertemporeel recht in toenemende mate getoetst aan hogere normen, zoals het recht op een eerlijk proces (zie o.a. art. 6 EVRM), het eigendomsrecht (zie o.a. art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM), het gelijkheidsbeginsel (zie o.a. art. 10 en 11 Gw.) en het vertrouwensbeginsel (zie daarover bv. dit boek). De daaruit voortvloeiende vereisten worden in een latere blogpost uitgebreider toegelicht. Het mag echter nu al duidelijk zijn dat een en ander onder meer belangrijke gevolgen heeft voor het huidige algemeen intertemporeel recht. Dat huidige systeem voldoet immers niet altijd meer aan voormelde vereisten. Zo fnuikt de hoofdregel van de onmiddellijke werking soms de rechtmatige verwachtingen van de rechtsonderhorigen en komt hij zo op gespannen voet te staan met het vertrouwensbeginsel. Bovendien treden wetten bij gebrek aan een andersluidende regeling in de nieuwe wet in werking op de tiende dag na die van hun bekendmaking in het Staatsblad – meer daarover in een volgende blogpost. Die termijn geeft de rechtsonderhorigen soms echter onvoldoende tijd om hun gedrag aan te passen aan de nieuwe wet.

Beide tekortkomingen zijn problematisch en nopen tot een herijking van het bestaande systeem.

Gebruik van de techniek van het IPR

Op technisch vlak kan het intertemporeel recht veel leren van het internationaal privaatrecht (IPR). Het IPR is immers functioneel verwant met het intertemporeel recht. Beide rechtstakken beogen inderdaad de oplossing van wetsconflicten, de ene in de ruimte, de andere in de tijd. Het IPR ontwikkelde daarvoor een rijk technisch kader van “conflictregels” (zie daarover bv. dit boek). Dat kader kan ook worden gebruikt in het intertemporeel recht.

Voor het algemeen intertemporeel recht is vooral de techniek van de verwijzingsregels van belang. In het IPR lossen verwijzingsregels internationale wetsconflicten op door via geografische aanknopingscriteria (bv. de plaats van het schadeverwekkend feit) aan te duiden welk recht van toepassing is op een internationale rechtstoestand (bv. een internationaal schadegeval). Op dezelfde manier kunnen intertemporele wetsconflicten worden opgelost door via een intertemporeel aanknopingscriterium (bv. het tijdstip van het schadeverwekkend feit) aan te duiden welke wet van toepassing is op een rechtstoestand die zowel met de oude als met de nieuwe wet aanknopingen vertoont (bv. een in de tijd gespreid schadegeval).

Ook het uitdrukkelijk intertemporeel recht – meer daarover in een volgende blogpost – kan uiteraard gebruik maken van die techniek van de verwijzingsregels. Daarnaast kan de wetgever bij de redactie van overgangsbepalingen echter ook andere technieken uit het IPR gebruiken, zoals optieclausules (bv. art. 39, § 1, tweede lid van de invoeringswet van het WVV) en uitzonderingsclausules (bv. art. 75, eerste lid van de Nederlandse Overgangswet NBW).

Evenwicht tussen innovatie en stabiliteit

Aan het IPR kunnen we enkel de techniek voor de oplossing van wetsconflicten ontlenen. De inhoud van de intertemporele conflictregels moet daarentegen worden bepaald vanuit de eigen logica van het intertemporeel recht. Die logica bestaat in een afweging tussen twee tegenstrijdige belangen: innovatie en stabiliteit. Enerzijds moet de nieuwe wet, die wordt geacht beter te zijn dan de oude, zo ruim mogelijk worden toegepast (innovatiebeginsel). Anderzijds mag de toepassing van de nieuwe wet ook niet zomaar alle bestaande situaties verstoren (stabiliteitsbeginsel).

Aangezien het bepalen van dat evenwicht een beleidsmatige kwestie is, komt het in de eerste plaats de wetgever toe om die afweging te maken (bv. via overgangsbepalingen of in de parlementaire voorbereiding). Weliswaar moet hij daarbij rekening houden met de vereisten die voortvloeien uit de hierboven genoemde hogere normen.

Spreekt de wetgever zich niet uit over het evenwicht tussen innovatie en stabiliteit, dan moet het algemeen intertemporeel recht de afweging maken. Daarbij moeten de vereisten die voortvloeien uit hogere normen voorop staan. Dat impliceert ten eerste dat de huidige inwerkingtredingstermijn van tien dagen moet worden verlengd. Naar analogie met de Nederlandse Aanwijzingen voor de Regelgeving (zie Aanwijzing nr. 4.17) stellen we een systeem van “vaste verandermomenten” voor. Daarbij treedt elke wet in principe in werking op 1 januari of op 1 juli, en bevinden zich bovendien minimaal drie maanden tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding. Ten tweede moet het intertemporele aanknopingscriterium in principe worden gevormd door het moment waarop de rechtsonderhorige die nadeel heeft bij de wetswijziging, gerechtigd wordt te verwachten dat de oude wet van toepassing zal blijven. Heeft geen enkele partij nadeel bij de wijziging, of konden er onder het oude recht geen rechtmatige verwachtingen ontstaan (bv. omdat de oude wet te onduidelijk is), dan is in principe de nieuwe wet van toepassing, tenzij indien de zaak al is afgesloten door een onherroepelijke rechterlijke beslissing.

Bovenstaand systeem levert niet alleen werkbare criteria om intertemporele verwijzingsregels te construeren. Het vermijdt in principe ook dat het algemeen intertemporeel recht in strijd komt met hogere normen.

Besluit

Het recht is geen statisch gegeven, maar evolueert continu. Intertemporele conflicten horen daar onvermijdelijk bij. Het is dus van belang dat dergelijke conflicten op een duidelijke, voorspelbare en grondwetsconforme manier kunnen worden opgelost. We hopen dat we aan die doelstelling een bijdrage hebben kunnen leveren.

Thijs Vancoppernolle is advocaat bij Quinz (balie Brussel) en vrijwillig wetenschappelijk medewerker bij het Centrum voor Rechtsmethodiek van de KU Leuven. Op 21 december 2018 behaalde hij met zijn proefschrift over intertemporeel recht de graad van Doctor in de Rechten.

Deze blogpost over intertemporeel recht vormt een korte samenvatting van het proefschrift van Thijs Vancoppernolle en is het eerste deel in een reeks van drie blogposts over deze thematiek. Latere blogposts gaan meer in detail in op de tijdsstructuur van nieuwe wetten en de manier waarop de wetgever in de praktijk omgaat met de werking van nieuwe wetten in de tijd (deel 2), en op de toetsing van het intertemporeel recht aan hogere normen (deel 3).


T. VANCOPPERNOLLE, "Intertemporeel recht (deel 1): de werking van de wet in de tijd revisited", Leuven Blog for Public Law, 28 February 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/intertemporeel-recht-deel-1-de-werking-van-de-wet-in-de-tijd-revisited (geraadpleegd op 30 November 2020)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.