Internering van geestesgestoorde veroordeelden: van “bis in idem” naar “ne bis in idem”

Print Friendly, PDF & Email

Veroordeelden bij wie tijdens de detentie een geestesstoornis wordt vastgesteld, kunnen onder bepaalde voorwaarden en op verzoek van de gevangenisdirecteur door de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna: KBM) geïnterneerd worden (art. 77/1, §1 Interneringswet 2014). Vormt de regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden een schending van het ne bis in idem-beginsel (art. 4 Prot. 7 EVRM)? Louise Gheysens meent van wel en formuleert enkele voorstellen tot wetswijziging.

*English summary below*

Het ne bis in idem-beginsel (art. 4 Prot. 7 EVRM) houdt in dat wanneer een persoon voor een strafbaar feit al onherroepelijk vrijgesproken of veroordeeld is, hij voor dat feit niet opnieuw berecht of gestraft mag worden. Opdat het ne bis in idem-beginsel van toepassing zou zijn, moeten er drie voorwaarden vervuld zijn. Er moeten twee strafrechtelijke procedures zijn (1), het moet gaan over dezelfde feiten (2) en er dient een herhaling van de procedure te zijn (3). Deze blogpost vertrekt vanuit het standpunt dat de regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden die voorwaarden vervult en bijgevolg het ne bis in idem-beginsel schendt.

De focus ligt in deze blogpost op de derde toepassingsvoorwaarde. Om die focus te verduidelijken, kan verwezen worden naar het contrast tussen het Belgische en het Nederlandse systeem. In Nederland is het mogelijk om een geestesgestoorde veroordeelde enerzijds in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen (art. 15, lid 5 Penitentiaire beginselenwet), anderzijds  in een inrichting voor terbeschikkingstelling (art. 6:2:8, lid 1 Wetboek van Strafvordering). Dergelijke plaatsingen schenden het ne bis in idem-beginsel niet omdat de derde toepassingsvoorwaarde niet vervuld is. De Belgische regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden dient op enkele punten aangepast te worden opdat de derde toepassingsvoorwaarde, net zoals in Nederland, niet vervuld zou zijn.

Materiële verbondenheid

Met betrekking tot deze derde toepassingsvoorwaarde, de vereiste van een herhaling van de strafrechtelijke procedure, is relevant dat twee procedures als twee aspecten van één procedure aanzien kunnen worden indien zij materieel en temporeel voldoende nauw verbonden zijn. In dat geval is er geen sprake van een herhaling van de strafrechtelijke procedure en is aan die voorwaarde niet voldaan, zodat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing is.

Op basis van de huidige regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden (Titel Vbis Interneringswet 2014) zijn de procedure voor de veroordeling en de procedure voor die internering wel temporeel, maar niet materieel voldoende nauw verbonden. Het gaat dus wel degelijk om twee verschillende procedures. De regelgeving dient dan ook zo aangepast te worden dat beide procedures materieel wel voldoende nauw verbonden zijn. Dan zou er niet langer een schending zijn van het ne bis in idem-beginsel, bij gebrek aan vervulling van de derde toepassingsvoorwaarde.

Om aan te tonen hoe de regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden aangepast moet worden opdat de procedure voor de veroordeling en de procedure voor de internering materieel voldoende nauw verbonden zouden zijn, maakt deze blogpost gebruik van de vier materiële factoren die het EHRM uitwerkte in het arrest A en B/Noorwegen.

Complementaire doeleinden?

De eerste materiële factor omvat de vraag of de procedures complementaire doeleinden hebben en zich richten tot verschillende aspecten van het sociale wangedrag van de betrokkene. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, is dat een argument contra ne bis in idem.

De procedure voor de veroordeling en de procedure voor de internering van geestesgestoorde veroordeelden hebben reeds onder de huidige regelgeving complementaire doeleinden en richten zich tot verschillende aspecten van het sociale wangedrag van de betrokkene. Het resultaat van de eerste procedure is een vrijheidsstraf. De doelstellingen van een vrijheidsstraf zijn vergelding en criminaliteitsreductie door incapacitatie, resocialisatie en afschrikking. De doelstelling van de internering is om de maatschappij te beschermen en de geïnterneerde de zorg te bieden die zijn toestand vereist met het oog op zijn maatschappelijke re-integratie (art. 2, lid 1 Interneringswet 2014).

Interactie strafrechter en KBM?

De tweede materiële factor omvat de vraag of de procedures in de mate van het mogelijke elkaar niet overlappen bij de verzameling en de beoordeling van het bewijs, voornamelijk doordat de bevoegde overheden over de vaststelling van de feiten interageren. Wanneer die vraag bevestigend beantwoord wordt, is dat een argument contra ne bis in idem.

De KBM kan de internering van de veroordeelde enkel bevelen indien hij veroordeeld werd voor een misdaad of een wanbedrijf dat de psychische of fysieke integriteit van derden aantast of bedreigt (art. 9, §1, 1° Interneringswet 2014; art. 77/1, §1 Interneringswet 2014). Dat werd niet noodzakelijk reeds door de strafrechter van de eerste procedure beoordeeld. Het is aangewezen dat de wetgever een norm creëert die bepaalt dat de strafrechter telkens moet beoordelen of het gepleegde misdrijf de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt. In dat geval kan de KBM daarop voortgaan en interageren de strafrechter van de eerste procedure en de KBM wel over de vaststelling van de feiten.

Herhaling voldoende voorzienbaar?

De derde materiële factor omvat de vraag of de herhaling van de procedures in de wet en in de praktijk voorzienbaar was. Indien dat het geval was, is dat een argument contra ne bis in idem.

De huidige wettelijke voorwaarde van een duurzame geestesstoornis die de veroordeelde zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden ernstig aantast of tenietdoet (art. 77/1, §1 Interneringswet 2014), is te subjectief en voor interpretatie vatbaar. Het is aangewezen dat de wetgever in de Interneringswet van 2014 daarvan een definitie opneemt. Er zou bijvoorbeeld een tijdscriterium in die Interneringswet opgenomen kunnen worden om de vereiste van duurzaamheid van de geestesstoornis te beoordelen.

Zelfs in het geval dat er een definitie van de huidige wettelijke voorwaarde van een duurzame geestesstoornis die de veroordeelde zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden ernstig aantast of tenietdoet (art. 77/1, §1 Interneringswet 2014) in de Interneringswet van 2014 opgenomen wordt, is er nog steeds voldoende ruimte voor flexibiliteit. De KBM dient bijvoorbeeld ook te beoordelen of er het risico bestaat dat de geestesgestoorde veroordeelde opnieuw misdrijven zal plegen die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt (art. 9, §1, 1° Interneringswet 2014; art. 77/1, §1 Interneringswet 2014).

Rekening houden met opgelegde straf?

De vierde materiële factor omvat de vraag of de tweede procedure rekening houdt met de straf die in de eerste procedure opgelegd werd. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, is dat een argument contra ne bis in idem. Er moet vermeden worden dat de betrokkene een buitensporige last ondergaat. Dat kan het beste gedaan worden door een compensatiemechanisme in te voeren waardoor het totaal van de aan de veroordeelde opgelegde straffen proportioneel is.

Op basis van de huidige regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden is dat niet het geval. Indien op het ogenblik van het strafeinde de geestestoestand van de geïnterneerde veroordeelde nog niet voldoende gestabiliseerd is, blijft de Interneringswet van 2014 op hem van toepassing (art. 77/9, §10 Interneringswet 2014). Dat betekent dat de internering van de geestesgestoorde veroordeelde langer kan duren dan de aan hem opgelegde straf. Het is daarom aangewezen dat de wetgever in de Interneringswet van 2014 een norm opneemt die bepaalt dat de internering van de geestesgestoorde veroordeelde eindigt op het moment dat het strafeinde bereikt wordt. Op die manier wordt er vermeden dat de geïnterneerde veroordeelde een buitensporige last ondergaat.

Besluit

Op basis van de huidige regelgeving zijn de procedure voor de veroordeling en de procedure voor de internering van de geestesgestoorde veroordeelde materieel niet voldoende nauw verbonden om als onderdelen van eenzelfde procedure te worden beschouwd. Tussenkomst van de wetgever is aangewezen opdat dat wel het geval zou zijn. Op die manier zou het ne bis in idem-beginsel niet langer geschonden zijn, aangezien de derde toepassingsvoorwaarde dan niet vervuld is.

Louise Gheysens is een alumna van de KU Leuven en schreef haar masterscriptie “De Belgische regelgeving over de internering van geestesgestoorde veroordeelden: een doorn in het mensenrechtelijke oog?” aan het Leuven Centre for Public Law onder begeleiding van Mélanie De Groof.

 

English summary:

Convicts diagnosed with a mental disorder during detention may, under certain conditions (art. 77/1, §1 Internment Law 2014), be interned by the chamber for the protection of society (in Dutch: kamer voor de bescherming van de maatschappij). Does the regulation on the internment of mentally disturbed convicts constitute a breach of the ne bis in idem principle (art. 4 Prot. 7 ECHR)? Louise Gheysens believes so and formulates a few proposals for amendments.


L. GHEYSENS, "Internering van geestesgestoorde veroordeelden: van "bis in idem" naar "ne bis in idem"", Leuven Blog for Public Law, 20 November 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/internering-van-geestesgestoorde-veroordeelden-van-bis-in-idem-naar-ne-bis-in-idem (geraadpleegd op 3 December 2020)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.