In welke mate maken vreemdelingen aanspraak op ‘onze’ sociale minimumvoorzieningen? Een voldoende sterke band met België als vereiste?

Print Friendly, PDF & Email

 

De nieuwe Vlaamse regering vereist dat wie aanspraak wil maken op een zorgbudget tien jaar (waarvan vijf jaar ononderbroken) in Vlaanderen heeft verbleven voorafgaand aan de aanvraag. Dit deel van het Vlaamse regeerakkoord kreeg veel kritiek. Doorstaat deze verblijfsvoorwaarde de grondwettigheidstoets wel?

Eind september 2019 publiceerde de Vlaamse regering diens regeerakkoord. Daarin trok de regering muren op rond de Vlaamse sociale bescherming voor nieuwkomers. Wie aanspraak wil maken op een zorgbudget moet volgens dit akkoord namelijk tien jaar legaal, waarvan vijf jaar ononderbroken, in Vlaanderen hebben verbleven voorafgaand aan de aanvraag.

Deze passage kon op veel kritiek rekenen in de media. Door deze nieuwe maatregelen zullen vreemdelingen die in België komen wonen langdurig sociaal onbeschermd zijn. Staat dit niet haaks op de waarden en normen van een solidaire en inclusieve samenleving? Het Grondwettelijk Hof sprak zich in het verleden al meermaals uit over federale wetgeving die de toegang tot sociale minimumvoorzieningen regelt (bv. nr. 138/2003, nr. 153/2007, nr. 1/2012, nr. 6/2019, nr. 41/2020). Zou het Grondwettelijk Hof in het licht van die rechtspraak de verblijfsvoorwaarde die de Vlaamse regering in het vooruitzicht stelt wel goedkeuren?

Een korte geschiedenis (van de wetgeving)

In dit verband is het interessant de evolutie te bekijken die de wetgeving onderging die de toegang tot de federale sociale bijstand regelt. In België zijn er vier minimumvoorzieningen op federaal niveau: het recht op maatschappelijke integratie (wet 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie), de gewaarborgde gezinsbijslag (Wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag ), de inkomensgarantie voor ouderen (Wet 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen ) en de tegemoetkoming aan personen met een handicap (wet 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap). In de jaren zeventig was de toegang tot deze minimumvoorzieningen nog beperkt tot houders van de Belgische nationaliteit. Aangezien sociale minimumvoorzieningen uitsluitend worden gefinancierd door overheidsgeld, moest men een voldoende sterke band met België hebben om er aanspraak op te maken.

Zoals gesteld in de rechtsleer, kwam vanaf de 21ste eeuw de toekenningsvereiste die verband houdt met het bezit van de Belgische nationaliteit, onder druk te staan, enerzijds, vanuit het Europees Gemeenschapsrecht, en anderzijds (meer recent), vanuit het mensenrechteninstrumentarium. Niet enkel Belgen, maar ook bepaalde categorieën van vreemdelingen zouden een voldoende sterke band met België vertonen om aanspraak te maken op onze sociale bijstand. Enkele arresten van het Grondwettelijk Hof (bv. nr. 62/2009, nr. 48/2010, nr. 153/2007) zetten de wetgever ertoe aan om het het personeel toepassingsgebied van de sociale minimumvoorzieningen meer en meer open te stellen voor vreemdelingen. Zo werden sociale minimumvoorzieningen door de wetgever ingeschakeld in functie van het voeren van een integratiebeleid ten aanzien van vreemdelingen met een duurzaam, legaal verblijfsstatuut

Zo staan de vier sociale minimumvoorzieningen vandaag de dag open voor de zogenaamde “bevoorrechte vluchtelingen”. Dit zijn EU-burgers, erkende vluchtelingen en erkende staatlozen. Daarnaast staan drie voorzieningen  – ingevolge de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof – nu ook open voor vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister (art. 3 wet recht op maatschappelijke integratie; art. 1 wet gewaarborgde gezinsbijslag; art. 4 wet 22 maart 2001 inkomensgarantie voor ouderen; art 4 wet tegemoetkomingen aan personen met een handicap ).

De voorbije drie jaar kunnen we echter een omgekeerde evolutie waarnemen. De toegang tot sommige minimumvoorzieningen wordt voor bepaalde vreemdelingen beperkt. Net zoals de Vlaamse regering in haar regeerakkoord vooropstelt, voerde de  federale wetgever in 2017 en 2018 voor de inkomensgarantie voor ouderen (art. 4 wet inkomensgarantie voor ouderen) en voor de tegemoetkoming aan personen met een handicap (art 4, lid 2 wet tegemoetkomingen aan personen met een handicap) een verblijfsvoorwaarde in. Hierdoor worden personen die geen tien jaar, waarvan vijf jaar ononderbroken, in België hebben verbleven, uitgesloten van de voorzieningen. Hiermee wil de wetgever verzekeren dat de aanvragers een voldoende sterke band met België hebben.

Reactie Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof hield in zijn rechtspraak toezicht over de toegang die vreemdelingen hebben tot onze sociale bijstand. Het Hof is hierbij van mening dat personen die blijk geven van  “een voldoende sterke band” met België, aanspraak moeten kunnen maken op onze minimumvoorzieningen.

Zoals hierboven reeds uiteengezet, was het Hof vanaf de 21ste eeuw van mening dat niet enkel Belgen een voldoende sterke band met het land kunnen hebben, maar ook vreemdelingen  met een duurzaam en legaal verblijfsstatuut. In een eerste fase stelde de wetgever de minimumvoorzieningen ook open voor “bevoorrechte vreemdelingen” (EU-burgers, erkende vluchtelingen en erkende staatlozen). In een latere fase oordeelde het Hof dat de wetgeving die de toegang tot de minimumvoorzieningen regelt, niet verenigbaar is met 10 en 11 Gw, omdat bovenvermelde vreemdelingen aanspraak maken op onze sociale bijstand, maar vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister niet. Dit leidt tot discriminatie, en de verantwoording die de wetgever hiervoor geeft volstaat niet. Zoals eerder vermeld, stelde de wetgever als reactie hierop de voorzieningen open voor vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister. (nr. 153/2007).

Maar wat nu met de verblijfsvoorwaarden die de federale regering in 2017 en 2018 invoerde?  Uit de memorie van toelichting blijkt dat wetgever met deze maatregel van de aanvragers van de voorziening een voldoende sterke band met België wilde eisen. Ook al hanteerde het Grondwettelijk Hof het hebben van een voldoende sterke band met België steeds als criterium, verklaarde het Hof de verblijfsvoorwaarden toch ongrondwettig. Dit komt omdat het standstill-beginsel – dat het Hof leest in artikel 23 Gw. – hier om de hoek komt kijken (nr. 6/2019, nr. 41/2020). Door deze  verblijfsvoorwaarden worden namelijk vreemdelingen die eerst wel aanspraak maakten, plots uitgesloten van de voorzieningen. Dat is een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau dat werd toegekend aan bepaalde vreemdelingen, wat onder het standstill-beginsel niet kan zonder gegronde reden ter rechtvaardiging.

Als rechtvaardiging gaf de wetgever in de memorie van toelichting aan dat het eisen van een voldoende sterke band een tweeledig doel dient. Enerzijds wil de wetgever vermijden dat de kosten van de voorzieningen de pan uit vliegen. Anderzijds wil de wetgever sociale shopping vermijden, zijnde vermijden dat vreemdelingen enkel en alleen naar België verhuizen om gebruik te maken van onze sociale voorzieningen.  Het Grondwettelijk Hof vond dit legitieme doelstellingen, maar oordeelde dat niet werd aangetoond dat de vereiste van een voldoende sterke band kan bijdragen tot deze doelstellingen (nr. 6/2019, nr. 41/2020).

Besluit

Het Grondwettelijk Hof zal er in zijn rechtspraak steeds op toezien dat onze sociale minimumvoorzieningen openstaan voor vreemdelingen met een voldoende sterke band met België in het licht van het gelijkheidsbeginsel. Dit zette de wetgever er toe aan om de voorzieningen open te stellen voor vreemdelingen die blijk geven van dergelijke band. Maar in de omgekeerde richting ligt het iets moeilijker. Indien de wetgever de toegang (opnieuw) wil beperken tot personen met een voldoende sterke band met België, komt er nog een bijkomende waarborg kijken. De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof onder het standstill-beginsel laat geen inperking toe van de rechten van vreemdelingen die eerst wel aanspraak maakten op de voorzieningen. Het Hof zal dus telkens nagaan of voor die inperking een gegronde rechtvaardiging bestaat.

De Vlaamse decreetgever houdt dus best rekening met deze rechtspraak wanneer hij muren wil optrekken rond de Vlaamse sociale bescherming voor vreemdelingen. Het Grondwettelijk Hof zou namelijk van mening kunnen zijn dat dit niet in lijn licht met de grondrechten uit onze Grondwet, waarvoor het Hof als beschermer optreedt.

Liezel Daenen is masterstudente  Economie, Recht en Bedrijfskunde. Deze blogpost is gebaseerd op haar bachelorproef geschreven voor het seminarie staatsrecht aan het Leuven Centre for Public Law


L. DAENEN, "In welke mate maken vreemdelingen aanspraak op 'onze' sociale minimumvoorzieningen? Een voldoende sterke band met België als vereiste?", Leuven Blog for Public Law, 7 December 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/in-welke-mate-maken-vreemdelingen-aanspraak-op-onze-sociale-minimumvoorzieningen-een-voldoende-sterke-band-met-belgie-als-vereiste (geraadpleegd op 28 January 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.