Improviseren met blokkeren. De blokkering van websites in de Belgische strafprocedure

Van richmeetbeautiful in België tot #Women2Drive in Saudi-Arabië… Wereldwijd halen landen websites uit de lucht om online illegale inhoud te bestrijden. In de Europese Unie gebeurt dat voornamelijk via een bevel aan internettussenpersonen, zoals access en host providers. In Nederland introduceerde de Wet Computercriminaliteit III bijvoorbeeld een takedown-bevel in de strafprocedure. Sinds 1 maart 2019 kan de officier van justitie aanbieders van een communicatiedienst bevelen om bepaalde websites onmiddellijk ontoegankelijk te maken. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) beschouwt het internet als een van de belangrijkste manieren om informatie te ontvangen en te verstrekken . Zo’n bevel is dus ontegensprekelijk een beperking op het recht op vrije meningsuiting. Welke waarborgen moeten er gelden en is de Belgische regeling voldoende voorzienbaar? Hieronder een overzicht van de vereisten die volgen uit de rechtspraak van de Europese Hoven…

Deze blogpost bespreekt die vragen in de context van de strafprocedure en gaat met andere woorden alleen over de blokkering van de toegang tot online content op bevel van het Openbaar Ministerie of de onderzoeksrechter. Vrijwillige of gedwongen verwijdering, bijvoorbeeld door de internettussenpersonen zelf of door inbeslagname van de server waarop de informatie is opgeslagen, komen niet aan bod.

Laten we eerst de Belgische regeling onder de loep nemen of, beter gezegd, het gebrek hieraan. Het Wetboek van Strafvordering bevat immers geen takedown-bevoegdheid. Volgens het Hof van Cassatie kan de procureur des Konings internet access providers (zoals Proximus, Scarlet en Telenet) op grond van het databeslag (art. 39bis Sv.) wel bevelen om internetgebruikers de toegang tot bepaalde websites op het Belgische grondgebied te ontzeggen (het Pirate Bay-arrest uit 2013). Dat de werkelijke beheerder de gegevens ondertussen nog kan wijzigen, is blijkbaar geen probleem.

De Belgische wetgever heeft het databeslag nochtans niet ontworpen om websites te blokkeren. Het was oorspronkelijk – als tegenhanger van het fysieke beslag – bedoeld om digitaal bewijsmateriaal veilig te stellen. Zo kunnen speurders sinds de invoering van het databeslag alleen de gegevens kopiëren als het niet wenselijk is om een fysieke gegevensdrager in beslag te nemen, bijvoorbeeld de server van een bedrijf. De oneigenlijke toepassing roept vragen op. Artikel 39bis Sv. bepaalt bijvoorbeeld niets over de maximale duurtijd van de blokkering. Neemt die een einde als het vooronderzoek is afgerond of moet de vonnisrechter zich hierover uitspreken? Op basis van welke rechtsgrond kan hij de blokkering eventueel handhaven?

Voorzienbare (problemen met de) wettelijke basis

Die vage regeling doet bovendien de wenkbrauwen fronsen in het licht van de EHRM-rechtspraak over het recht op vrije meningsuiting, los van enkele aanbevelingen die de Raad van Europa hierover uitvaardigde. Een beperking op dit recht moet eerst en vooral een voorzienbare en toegankelijke wettelijke grondslag hebben, die voldoende waarborgen tegen willekeur biedt (art. 10, lid 2 EVRM). Het EHRM vond dat dit niet het geval was in een zaak waarin YouTube helemaal werd geblokkeerd (EHRM 1 december 2015, §§ 59-60). Nu de Turkse wetgeving alleen voorzag in de blokkering van illegale inhoud, was er geen wettelijke basis om ook het academische onderzoek dat de verzoekers via YouTube verspreidden, te blokkeren. In een gelijkaardige zaak oordeelde het Hof enkele jaren eerder dat de volledige blokkering van GoogleSites artikel 10 EVRM schond (EHRM 18 december 2012, § 46 e.v.). In beide zaken vond het Hof dat de nationale autoriteiten de neveneffecten van de blokkering voor internetgebruikers in de schaal hadden moeten leggen, omdat hun rechten te veel waren ingeperkt. Volgens het Hof kan een preventieve blokkering alleen plaatsvinden als de wet voorziet in duidelijke toepassingsvoorwaarden en een strikte rechterlijke controle (EHRM 18 december 2012, § 66; EHRM 1 december 2015, § 64).

Artikel 10 EVRM vereist bovendien dat de blokkering een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk is. Het EHRM heeft zich hierover in het kader van internetblokkeringen nog niet uitgesproken. Uit zijn rechtspraak over preventieve beperkingen blijkt wel dat lidstaten minder verregaande maatregelen moeten overwegen (EHRM 20 oktober 2009, § 43). Voor internetblokkeringen kan dit betekenen dat ze een specifiek artikel laten verwijderen in plaats van een website volledig te blokkeren. Hoewel het EHRM preventieve beperkingen principieel niet verbiedt, rijst de vraag hoe ze zich verhouden tot het grondwettelijke verbod op preventieve censuur (art. 25 Gw., waarover op deze blog ook al werd geschreven).

Geen verplicht algemeen toezicht

Het EU-recht verbiedt op zijn beurt dat lidstaten internettussenpersonen verplichten om de informatie die zij doorgeven of opslaan, te controleren of om actief onwettige activiteiten op te sporen (art. 15 Richtlijn elektronische handel). Zo wil de EU niet alleen private censuur vermijden, maar ook het recht op ondernemerschap vrijwaren, omdat de kostprijs voor blokkeringen hoog kan oplopen voor internettussenpersonen. Dat verbod staat echter op de helling: artikel 13 van de ontwerp-richtlijn auteursrechten wil internettussenpersonen verplichten een online content filter te installeren en een ontwerp-verordening wil terroristische propaganda binnen het uur offline .

In de afbakening van het verbod toonde ook het Hof van Justitie zich een behoeder van het recht op vrije meningsuiting. Het stelde eerst dat lidstaten onder geen beding internettussenpersonen mogen verplichten een filtersysteem in te voeren (HvJ 24 november 2011, § 47 e.v.). Volgens het Hof kon geen enkel filtersysteem een onderscheid maken tussen legale en illegale inhoud, zodat ook de eerste soort zou worden geblokkeerd (§ 52). Dit zou het evenwicht tussen de bescherming van intellectuele eigendom en de vrijheid om informatie te verstrekken en ontvangen, verstoren (art. 11 EU-Handvest). De vraag is of het Hof vandaag tot dezelfde uitkomst zou zijn gekomen, gezien de ontwikkelingen van artificial intelligence op dit punt. Enkele jaren later oordeelde het dat specifieke blokkeringsmaatregelen wel de toets aan het EU-recht kunnen doorstaan (HvJ 27 maart 2014, § 64). Nu het Hof niet verduidelijkte wat het hieronder verstaat, moeten de internettussenpersonen die zelf invullen. Door het gebrek aan concrete richtlijnen schuift het Hof de bewerkstelliging van het juiste evenwicht tussen de verschillende grondrechten jammer genoeg in de schoenen van de internettussenpersonen. De nationale rechter moet vervolgens nagaan of internetgebruikers geen nadelige gevolgen van de blokkering ondervinden (HvJ 27 maart 2014, § 56-57).

Meer precisie wenselijk

De rechtspraak van beide Europese Hoven blinkt niet uit in klaarheid en valt evenmin zonder meer te extrapoleren naar alle soorten illegale inhoud. Zo gingen de zaken voor het Hof van Justitie uitsluitend over intellectuele eigendom. Niettemin lijkt de Belgische praktijk die uitgaat van artikel 39bis Sv., onvoldoende voorzienbaar. Vaak zijn internettussenpersonen immers het doelwit van een blokkeringsmaatregel. Vergelijk het met een huiszoeking bij iemand die geen verdachte is. Dat ligt uiteraard gevoeliger dan wanneer een bevel wordt gegeven aan een verdachte van een misdrijf en vereist dus meer duidelijkheid.

De Belgische strafprocedure bevat een meer voorzienbare rechtsgrond: artikel 88quater Sv., dat bepaalt dat de onderzoeksrechter aan iedere geschikte persoon kan bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Een bijkomende waarborg zou, naar Nederlands voorbeeld, kunnen inhouden dat het bevel beperkt blijft tot zwaarwichtige misdrijven (art. 125p Nederlands Sv.). In Nederland is ook de toestemming van de rechter-commissaris vereist, die toezicht houdt over het opsporingsonderzoek (art. 170 Nederlands Sv.). De vraag rijst of dit wenselijk is, nu vaak snel moet worden gehandeld. Minstens zou een rechterlijke controle moeten bestaan voor langdurige blokkeringen. Toen de correctionele rechtbank de beklaagden in de Pirate Bay-zaak vrijsprak, zweeg ze in alle talen over het lot van de blokkeringen die tot op vandaag zonder duidelijke basis gehandhaafd blijven (Corr. Antwerpen afdeling Mechelen 9 juli 2015, niet gepubliceerd). Ook op dat punt moet de Belgische regeling worden bijgeschaafd.

Sofie Royer is doctoraatsbursaal aan het Instituut voor Strafrecht, KU Leuven. Sinds 2015 bereidt ze een proefschrift voor met als titel ‘Strafrechtelijk beslag: digiproof en (multi)functioneel?’.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.