Het straf(proces)recht in België: de eindmeet van de defederalisering bereikt?

Print Friendly, PDF & Email

Alle overheden in België zijn momenteel in zekere mate bevoegd voor straf- en strafprocesrecht. Dit is haast onvermijdelijk, aangezien elke overheid via het strafrecht de effectiviteit van haar wetgeving wil garanderen. De vraag rijst echter of deze bevoegdheidsverdeling de rechtszekerheid, één van de belangrijkste vereisten in het straf(proces)recht, (mogelijk) in het gedrang brengt. Deze blogpost schetst de huidige situatie inzake de bevoegdheidsverdeling binnen het straf- en strafprocesrecht en gaat na of deze een goed evenwicht vormt tussen de wens naar autonomie van de deelgebieden en de wens naar rechtszekerheid van de burger.  

Autonomie in het straf- en strafprocesrecht

De gemeenschappen en de gewesten willen de door hen uitgevaardigde wetgeving op een daadkrachtige wijze handhaven. Zoals ook de federale wetgever, ziet de decreetgever daarvoor in het strafrecht de ideale bondgenoot. Het is dan ook niet verwonderlijk dat al van bij het begin van het federaliseringsproces aan de deelstaten een – weliswaar zeer beperkte – bevoegdheid werd toegekend op strafgebied (art. 22, 2° van de wet van 3 juli 1971). Het was echter wachten tot de vierde staatshervorming vooraleer aan de wens van de deelstaten naar “echte” autonomie op strafrechtsgebied werd tegemoetgekomen (art. 11 BWHI).

De deelstaten zijn bevoegd om inbreuken op hun decreten strafbaar te stellen en in straffen voorzien. Ze mogen daarbij afwijken van het federale algemene strafrecht, uiteraard enkel voor de door hen ingevoerde inbreuken. Om hun eigen materiële strafrecht effectief te kunnen handhaven, kregen de deelstaten bovendien beperkte strafprocesrechtelijke bevoegdheden (limitatief opgesomd in art. 11, lid 3 BWHI). Daarnaast werden de bevoegdheden van de deelgebieden bij de zesde staatshervorming verder uitgebreid om hen meer autonomie te geven op vlak van strafrechtelijk beleid (art. 11bis BWHI) en strafuitvoering (art. 5, § 1, III BWHI).

Inzake strafuitvoering kregen de gemeenschappen ruime bevoegdheden over de justitiehuizen en het elektronisch toezicht. Wat het strafrechtelijk beleid betreft, gaat het voornamelijk over de deelname aan het uitwerken van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, de deelname aan de vergadering van het College van Procureurs-Generaal en het uitoefenen van het positief injunctierecht (d.i. het recht van de minister van Justitie om opdracht te geven aan het parket tot het onderzoeken en eventueel vervolgen van bepaalde feiten).

Tot slot verdient het jeugddelinquentierecht (art. 5, § 1, II, 6° BWHI) een aparte vermelding. Dit domein binnen het strafrecht werd quasi volledig overgeheveld naar de gemeenschappen bij de zesde staatshervorming, al blijft het bepalen van gedragingen die een MOF (“misdrijf omschreven feit”) uitmaken en het bepalen van de daarop toepasselijke straffen een federale bevoegdheid, onverminderd art. 11 BWHI.

Eigenheid van het strafrecht

Zoals elke rechtstak heeft het strafrecht zijn eigenheid. Vooreerst heeft het strafrecht een bijzonder grote impact op het leven van de rechtsonderhorigen. Bijgevolg moet iedereen zekerheid hebben over de vraag of zijn handelen strafbaar is en met welke straf dit handelen kan worden gesanctioneerd. Deze vereiste van rechtszekerheid – in het strafrecht ook vaak het lex certa beginsel genoemd – vindt zijn grondslag in het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, neergelegd in artt. 12 en 14 van de Grondwet. Deze grondwetsbepalingen vereisen niet alleen dat strafbaarstellingen en straffen in een formele wet worden neergelegd, maar ook dat deze strafwetten helder, duidelijk en voorzienbaar zijn.

Bovendien moet de wetgever steeds nagaan of strafrecht wel de meest geschikte afhandelingswijze is voor de begane inbreuk. Gelet op haar zware impact dient strafrecht met de grootst mogelijke omzichtigheid te worden aangewend. Reeds lange tijd wordt door academici een oproep gedaan tot het gebruik van strafrecht als ultimum remedium en tot een bijhorende depenalisering (zie bv. het voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek van de Commissie voor de Hervorming van het Strafrecht o.l.v. prof. Damien Vandermeersch en prof. Joëlle Rozie). Ook het uiteindelijke wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek dat begin vorig jaar werd ingediend, zet in op depenalisering (d.i. de onderwerping aan andere sanctiemechanismen dan strafrechtelijke) en zelfs decriminalisering (d.i. de schrapping uit de ganse rechtsorde) van bepaalde misdrijven. Het zou een mooi vooruitzicht zijn moesten alle overheden in België gevolg geven aan deze oproep tot het aanwenden van strafrecht als laatste redmiddel.

Ten tweede is het strafrecht bij uitstek een grensoverschrijdende aangelegenheid. Veel misdrijven overschrijden landgrenzen, a fortiori taalgrenzen. Bijgevolg is het strafrecht uit zijn aard niet geneigd tot een verregaande defederalisering, wat we ook zien in andere (quasi-)federale staten, zoals Duitsland (concurrerende bevoegdheid) en Spanje (exclusieve bevoegdheid). Een uitzondering hierop bestaat wanneer het territorium van de federale staat zeer groot is. Zo is strafrecht in de Verenigde staten in principe een bevoegdheid van de staten. In België heeft de wens naar autonomie in het straf(proces)recht van de deelgebieden dan ook voornamelijk betrekking op het kunnen handhaven van de eigen wetgeving, die per definitie territoriaal beperkt is, veeleer dan op het uitvaardigen van een volledig eigen strafrecht.

Wat gaat al goed?

In de bevoegdheidsverdeling op straf(proces)gebied is duidelijk nog ruimte voor verbetering. Op staatsrechtelijk vlak zou de overheid die op wetgevend vlak bevoegd is, ook alle andere aspecten van die aangelegenheid moeten kunnen regelen. Dit is in overeenstemming met twee staatsrechtelijke principes in België, namelijk het autonomiebeginsel (bv. Arbitragehof 26 juni 1986, nr. 25) en het verticaliteitsbeginsel (bv. Adv. RvS 20 november 1986, nr. 17.162/1). Op strafrechtelijk vlak moet zoveel mogelijk worden gestreefd naar rechtszekerheid. Het gevaar op rechtsonzekerheid ontstaat in het bijzonder wanneer er te veel (soorten) wetgeving tot stand komt, waardoor van de rechtsonderhorigen niet meer kan worden verwacht dat zij “de wet” kennen en er mogelijks zelfs een overlap ontstaat tussen de verscheidene wetgevingen. Volgende passage uit het wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek geeft de problematiek heel mooi weer (p. 4):

“Anderzijds worden we geconfronteerd met een exponentiële toevloed van incidentele wetswijzigingen en nieuwe wettelijke en jurisprudentiële regels waardoor het materieel strafrecht is uitgegroeid tot een complex kluwen dat zich niet meer gemakkelijk laat ontrafelen door de justitiabelen. De overzichtelijkheid en de toegankelijkheid van het wetboek zijn dus in belangrijke mate aangetast.”

Maar eerst: wat gaat er wel al goed?

De deelgebieden kunnen het algemene strafrecht bepalen dat van toepassing is op hun bijzonder strafrecht (art. 11, lid 1 BWHI). In het tegenovergestelde geval zou de federale overheid een belangrijke invloed hebben op het deelstatelijke strafrecht, dat per definitie betrekking heeft op aangelegenheden waarvoor de federale overheid niet bevoegd is. Ook de bevoegdheidsoverdracht aan de gemeenschappen inzake de justitiehuizen en het elektronisch toezicht (art. 5, §  1, III BWHI) is een goede zaak, aangezien strafuitvoering best zo dicht mogelijk bij de burger staat. Tot slot hebben we sinds kort een Vlaamse minister van Justitie en Handhaving. Haar beleidsnota is alvast veelbelovend. Zo wil de minister o.a. het federale en het Vlaamse strafrechtelijke beleid op elkaar afstemmen, wat de rechtszekerheid ten goede komt.

Wat kan nog beter?

Zoals gezegd, zijn verschillende aspecten van de bevoegdheidsverdeling nog voor verbetering vatbaar. Een eerste belangrijk thema is het strafrechtelijke beleid. Tot nu toe had de federale minister van Justitie het laatste woord over het strafrechtelijk beleid, zelfs wanneer het gaat over deelstatelijk strafrecht (art. 151 Gw. juncto art. 11bis BWHI). Het is uitkijken of de deelstaten in de toekomst hun strafrechtelijk beleid autonomer zullen kunnen uitoefenen. In ieder geval is er beweging op til met de Vlaamse minister van Justitie. Zo kan uit haar beleidsnota worden afgeleid dat ze het positief injunctierecht volledig autonoom zal uitoefenen; over de tussenkomst van de federale minister van Justitie wordt met geen woord gerept. Het positief injunctierecht wordt echter maar zeer zelden gebruikt.

Belangrijker is de deelname aan de vergaderingen in het College van Procureurs-Generaal, die het strafrechtelijke beleid op een voor de parketten bindende wijze vastleggen. Tot dusver kon de federale minister van Justitie de doorslag geven wanneer het College geen consensus bereikt. Nu we een Vlaamse minister van Justitie hebben, is de situatie onduidelijker wat betreft het deelstatelijke strafrecht. De wetgeving waarin de bevoegdheden van de minister van Justitie en het College zijn neergelegd (zie supra), werd in ieder geval niet gewijzigd, en ook in de beleidsnota van de Vlaamse minister van Justitie is met betrekking tot de deelname aan de vergaderingen van het College weinig verandering merkbaar. Afwachten hoe de wetgeving, die steeds de term “minister van Justitie” hanteert, in de toekomst zal worden geïnterpreteerd.

Een tweede, zeer prangend vraagstuk, is de samenloop: welk misdrijf is van toepassing wanneer één enkele gedraging zowel onder federaal als deelstatelijk strafrecht valt? Om geen van beide overheden in de kou te laten staan, kan worden gepleit voor de toepassing van de eendaadse samenloop (art. 65, eerste lid Sw.), waardoor het misdrijf dat de zwaarste straf oplegt, van toepassing is. Echter, wat als één van de overheden net als beleid vooropstelt om een dergelijke inbreuk niet strafbaar te stellen, zoals vandaag door de rechtsleer erg wordt aangemoedigd? De rechtsleer hekelt het feit dat het strafrecht steeds als middel wordt gebruikt om ongewenst gedrag te bestraffen – wat leidt tot een enorm aantal strafwetten – hoewel strafrecht eigenlijk het laatste redmiddel moet zijn (zie bv. prof. Tom Vander Beken in de Kamer tijdens de hoorzitting over de hervorming van het Strafwetboek).

Nu een hervorming van het federale straf- en strafprocesrecht op til is, is een grondige reflectie over deze vragen aan te bevelen. Vooral de vraag naar samenloop verdient m.i. bijzondere aandacht, aangezien de huidige situatie noch de autonomie van de overheden, noch de rechtszekerheid van de burger ten goede komt.

Een verdere defederalisering?

Over een verdere defederalisering van het strafrecht blijft het voorlopig stil. Het is niet uit te sluiten dat de grenzen van de regionalisering op dat gebied zijn bereikt. Een verdere overheveling van strafrechtelijke bevoegdheden, waarbij de deelgebieden een heus eigen strafwetboek zouden kunnen uitvaardigen, zou wellicht de rechtszekerheid van de rechtszoekenden ondermijnen. Ook de deelstaten houden geen fervente pleidooien voor een eigen strafrecht, wat we wel horen in andere rechtstakken (bv. de sociale zekerheid).

Caroline Gelin is als deeltijds praktijkassistent verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.


C. GELIN, "Het straf(proces)recht in België: de eindmeet van de defederalisering bereikt?", Leuven Blog for Public Law, 17 August 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/het-strafprocesrecht-in-belgie-de-eindmeet-van-de-defederalisering-bereikt (geraadpleegd op 1 December 2020)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.