Het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu: een klimaatverandering bij het Grondwettelijk Hof?

Print Friendly, PDF & Email

Op vrijdag 25 september 2020 werd em. prof. dr. baron André Alen, inmiddels erevoorzitter van het Grondwettelijk Hof, toegelaten tot het emeritaat. Daags voordien verscheen het Liber amicorum André Alen, getiteld ‘Semper perseverans’, als eerbetoon. Een speciale blogreeks vestigt de aandacht op verschillende bijdragen van het boek. Arne Vandaele en Junior Geysens gaan in deze blogpost in op  de recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof omtrent het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.

*English summary below*

Het Grondwettelijk Hof besloot in 2019 maar liefst viermaal tot een schending van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Tot dan toe was het Hof eerder terughoudend om dat te doen. De recente rechtspraak lijkt aan te sluiten bij  (internationale) tendensen waar de rechter een prominente rol opneemt in de beslechting van klimaat-en omgevingsgeschillen.

Verschillende klimaat-en omgevingsgeschillen blijven immers de internationale pers halen. Het meest spraakmakende arrest was wellicht de uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad in de zaak Urgenda, waarbij de Nederlandse Staat verplicht werd om de uitstoot van broeikasgassen vanaf Nederlandse bodem per eind 2020 met minstens 25% te verminderen ten opzichte van 1990. In het zog van Urgenda volgden inmiddels verschillende andere zaken, onder meer in Ierland, Frankrijk en voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook voor de Belgische (lagere) rechter werden inmiddels pleidooien gehouden in de ‘klimaatzaak’.

Iets meer in de luwte, heeft het Grondwettelijk Hof in 2019 vier arresten uitgesproken (arresten nr. 80/2019, nr. 129/2019, nr. 131/2019 en nr. 145/2019) waarin het besloot tot een schending van de standstill-verplichting in artikel 23, derde lid, 4° Gw. Voor zover de auteurs konden nagaan, was dat daarvoor slechts één keer gebeurd (arrest nr. 137/2006 van 14 september 2006). De vraag rijst dan ook welk belang aan deze arresten moet worden toegekend, en of deze arresten wijzen op een verandering in de rechtspraak van het Hof.

Artikel 23 Gw. en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof

Volgens artikel 23 Gw. heeft eenieder het recht om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de bevoegde wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Een van deze rechten betreft het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, opgenomen in het derde lid, 4° van artikel 23 Gw.

Sinds 2006 luidt het volgens een vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat “artikel 23 van de Grondwet […] een standstill-verplichting [bevat] die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.” Deze formule getuigt van een zorgvuldig gekozen woordgebruik van het Hof. Het is de bevoegde wetgever enkel verboden om  “de van toepassing zijnde wetgeving” “in aanzienlijke mate” te verminderen, “zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang”. De wetgever die het geboden beschermingsniveau vermindert, beschikt aldus over meerdere ontsnappingsroutes.

In de grote meerderheid van de arresten besluit het Hof dat er geen sprake is van een ‘aanzienlijke vermindering’ van het bestaande beschermingsniveau, dan wel dat de al dan niet ‘aanzienlijke’ vermindering van het bestaande beschermingsniveau kan worden gerechtvaardigd om redenen van algemeen belang (zie bv. arrest nr. 114/2008 van 31 juli 2008; arrest nr. 95/2018 van 19 juli 2018).

Het is slechts in een uiterst kleine minderheid van de arresten dat het Hof besluit tot een schending van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Voor zover de auteurs konden nagaan, besloot het Hof tot 2019 slechts één keer tot een dergelijke schending (arrest nr. 137/2006 van 14 september 2006). Dit was opvallend genoeg ook het arrest waarin het Hof voor het eerst de standstill-werking van artikel 23, derde lid, 4° Gw. erkende.

Vier arresten, drie vaststellingen

In 2019 heeft het Grondwettelijk Hof echter vier arresten uitgesproken waarin het besloot tot een schending van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, zoals gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 4° Gw. Het Hof vernietigde in die arresten de opheffing van de vergunningsplicht voor de zogenaamde ‘eenlotsverkavelingen’ (arrest nr. 80/2019), de opheffing van het substitutierecht van de inwoners van een gemeente of provincie om in rechte op te treden namens de gemeente of provincie (arresten nr. 129/2019 en nr. 131/2019) en de decretale wijziging van de gewestplanvoorschriften voor ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ (arrest nr. 145/2019).

We beperken ons in deze blogpost tot enkele vaststellingen.

Een eerste vaststelling is dat het Hof in de aangehaalde zaken de opgeworpen schending van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu actief onderzoekt, hoewel de verzoekende partijen ook verschillende andere schendingen van de Grondwet opwierpen. In het verleden verkoos het Hof vaak om de bestreden norm eerst te toetsen aan meer vertrouwde grondrechten, zoals het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 Gw.) of het recht op de eerbiediging van het privé-en gezinsleven (artikel 22 Gw.) (arrest nr. 151/2003 van 26 november 2003; arrest nr. 11/2005 van 19 januari 2005). Een toets aan artikel 23, derde lid, 4° Gw. was dan ook vaak niet meer nodig.

Een tweede vaststelling is dat het Hof concreet ingaat op de constitutieve elementen van ‘het bestaande beschermingsniveau’, en zich daarbij niet enkel beperkt tot de bestreden norm. Het ‘bestaande beschermingsniveau’ kan volgens het Hof namelijk niet enkel uit de bestreden norm bestaan, maar tevens uit de interactie van de bestreden norm in de praktijk met andere wetgeving. Zo betekende de opheffing van het substitutierecht van de inwoners van een gemeente of provincie volgens het Hof een aanzienlijke vermindering van het bestaande beschermingsniveau, omdat van deze mogelijkheid in de praktijk vooral gebruikt werd gemaakt in combinatie met de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu (de ‘Milieustakingswet’) .

Een derde vaststelling is dat het Hof zorgvuldig de door de wetgever opgeworpen redenen van algemeen belang onderzoekt. In het verleden beperkte het Hof zijn onderzoek op dit punt veelal tot een marginaal onderzoek. De opgeworpen redenen van algemeen belang werden meestal zonder al te veel discussie aanvaard. Een klassieker betrof bijvoorbeeld de rechtvaardiging die bestond in de (administratieve) vereenvoudiging van de nieuwe regeling (arrest nr. 159/2012 van 20 december 2012) . Welnu, precies deze rechtvaardigingsgrond werd in de zaak rond de opheffing van de vergunningsplicht voor de zogenaamde ‘eenlotsverklavelingen’ door het Hof van tafel geveegd. Ook in de zaak betreffende de opheffing van het substitutierecht van de inwoners van een gemeente of provincie (arresten nr. 129/2019 en nr. 131/2019), gaat het Hof concreet in op de opgeworpen redenen van algemeen belang en weerlegt het deze één voor één.

Conclusies

De aangehaalde arresten wijzen op een veranderde houding van het Grondwettelijk Hof ten aanzien van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Van een marginale of subsidiaire toets aan dit grondrecht is geen sprake meer. Toch is het afwachten of deze rechtspraak zich in de toekomst zal doorzetten. De samenstelling van het Hof zal in de komende jaren immers grondig wijzigen, wat een invloed kan hebben op de besluitvormingscultuur binnen het Hof. In 2020 waren er geen arresten die in dezelfde lijn liggen, maar in 2021 heeft het Hof alvast opnieuw een norm vernietigd op basis van een schending van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Bij arrest nr. 6/2021 van 21 januari 2021 ging het Hof over tot vernietiging van de verhoging door de Brusselse ordonnantiegever van de drempel waarboven een effectenstudie vereist is voor projecten voor parkings.

De vraag naar de afdwingbaarheid en draagwijdte van artikel 23, derde lid, 4° Gw. is een leerstuk dat ook bij verschillende andere rechtbanken (zoals de Raad van State, en in mindere mate de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Hof van Cassatie) actueel is, maar waar de praktijk zeer divers en uiteenlopend is.

De vraag is dan ook of het Grondwettelijk Hof ook voor deze hoven en rechtbanken de bakens verzet. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Arne Vandaele is advocaat en adjunct professor aan het Vesalius College.

Junior Geysens is advocaat en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan het Leuven Centre for Public Law van de KU Leuven.

English summary

In 2019, the Constitutional Court issued four judgements in which it decided that the right to the protection of a healthy environment, as guaranteed by Article 23, paragraph 3, 4° of the Constitution, had been violated. Until then, the Court was rather reluctant to annul norms merely on the basis of the violation of this fundamental right.  The Court’s jurisprudence seems to be in line with (international) trends where courts are taking a more prominent role in the settlement of environmental disputes. The question therefore arises as to what importance should be attached to these judgements, and whether these judgements indicate a change in the Court’s jurisprudence.


Arne VANDAELE & Junior GEYSENS, "Het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu: een klimaatverandering bij het Grondwettelijk Hof?", Leuven Blog for Public Law, 21 May 2021, https://www.leuvenpubliclaw.com/het-recht-op-de-bescherming-van-een-gezond-leefmilieu-een-klimaatverandering-bij-het-grondwettelijk-hof (geraadpleegd op 24 July 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.