Grondwetstheorie en grondwetsinterpretatie in het Belgisch staatsrecht

Print Friendly, PDF & Email

Hoe wordt de Grondwet geïnterpreteerd in het Belgisch staatsrecht? Een schijnbaar eenvoudige vraag, maar een antwoord is weinig vanzelfsprekend.

*English summary below*

Rechtspraak en rechtsleer staan niet bekend om hun uitgebreide historische, filosofische en rechtstheoretische reflecties op dit vlak. Menig Belgisch jurist is vertrouwd met de concepten uit de Amerikaanse rechtspraak en rechtsleer, zoals de tegenstelling tussenoriginalism’ en de ‘living tree’-doctrine. Eigen concepten, die aansluiten bij de Frans-Belgische (en bij uitbreiding continentaal-Europese) rechtscultuur, ontbreken daarentegen tot op vandaag. Het belang hiervan neemt nochtans toe, ook voor de praktijk van het recht, in het bijzonder nu het Grondwettelijk Hof is uitgegroeid tot de belangrijkste interpretator van de Grondwet.

Interpretatiemethodes en denkculturen

Tekstinterpretatie is een complexe geestelijke activiteit, waarover de grootste denkers uit de Europese canon zich hebben gebogen – theologen, filosofen en zeker ook juristen. Een belangrijke stroming uit de Duitse filosofie, de hermeneutiek, is hiervan het resultaat. Hans-Georg Gadamer verhief deze tekstinterpretatieleer tot een algemene filosofie.

Tot op vandaag vervult de hermeneutiek een belangrijke rol in het Duitse staatsrecht. In de jaren ‘60-‘70 van de vorige eeuw ontstond er een strijd over de juiste methode waarmee de Grundgesetz geïnterpreteerd moest worden. De Duitse rechtsleer probeerde opnieuw de inspraak te krijgen die deze vanouds had bij de ontwikkeling van het recht. De enorme macht – en de relatief vrije rol – van het Bundesverfassungsgericht in de nieuwe grondwettelijke orde moest zo gecounterd worden. Hoewel die doelstelling niet geheel bereikt werd, was een interessante discussie het resultaat. Het Bundesverfassungsgericht gaat in lange arresten in op de theoretische en methodologische problemen die het in de uitoefening van zijn mandaat tegenkomt (zie bijvoorbeeld BVerfGE, 11, 126). Zo is er sprake van een zekere dialoog tussen rechtsleer en rechtspraak.

Vergelijken we dit met de Belgische situatie, dan valt het schrille contrast op. Het Grondwettelijk Hof, de belangrijkste interpretator van de Grondwet in de dagelijkse praktijk, motiveert zijn arresten beknopt. Theoretische en methodologische uiteenzettingen blijven zo goed als geheel achterwege. Ook in de rechtsleer is er weinig aandacht voor deze problematiek. Die beperkte aandacht is in de eerste plaats het gevolg van de beperkte kansen die de rechtsleer krijgt om een dialoog met het Grondwettelijk Hof aan te gaan. Het is immers zeer moeilijk om af te leiden met welke methodes het Hof de Grondwet interpreteert. Dit laat zich historisch verklaren. De Franse rechtscultuur, waartoe de Belgische behoort, wordt immers gekenmerkt door de idealen van ‘clarté’, rationalisme en objectiviteit. Carl Schmitt heeft beschreven hoe de Franse taal en denkcultuur door en door juridisch is; de Franse legisten dachten vanuit een “praktisch-pragmatischen Vernünftigkeit”, en niet zoals in de Duitse rechtsleer “metaphysisch oder philosophisch-systematisch.” Zo mijdt ook het Grondwettelijk Hof complexe filosofische discussies, en motiveert het zijn arresten beslissend, zich beperkend tot het strikt noodzakelijke.

De interpretatie van de Grondwet is echter een specifieke problematiek, die maakt dat deze traditie in dit geval snel op zijn grenzen stoot. De Grondwet is beknopt geformuleerd, fragmentarisch en bevat vele begrippen (bijvoorbeeld vrijheid en gelijkheid) met een sterk politiek karakter. Deze kenmerken maken dat de klassieke juridische methodenleer – met de vier bekende elementen: de grammaticale, logische, systematische en historische – niet de gehele interpretatie kan verklaren. Hetzelfde geldt voor het klassieke beeld van de rechter als ‘la bouche de la loi’, die louter de norm toepast die voorhanden is. Uiteraard is het maar de vraag of dit beeld ooit meer dan een ‘Idealtypus’ is geweest. Wellicht is het vooral ook het resultaat van diezelfde rechtscultuur, die bekend staat om een wantrouwen tegenover de rechtsprekende macht.

Politiek, recht of beide?

Al deze kenmerken maken het aannemelijk om de rol van het Grondwettelijk Hof als een vorm van politiek, en minder van recht te beschouwen (denk aan de beroemde discussie tussen Schmitt en Hans Kelsen). De samenstelling van het Grondwettelijk Hof, dat voor de helft uit gewezen parlementsleden bestaat, lijkt dit ook te bevestigen. Loont het in dat geval niet om de rechtspraak sociaalwetenschappelijk te analyseren, zoals dit in de Amerikaanse rechtsleer de dominante benadering is? Dit argument wint zeker aan kracht door de beknopte motivering van het Grondwettelijk Hof. En zelfs wanneer deze motivering uitgebreid zou zijn, is ze dan geen loutere façade voor de pragmatische compromissen, die de rechters onderling sluiten?

Deze bedenkingen zijn ongetwijfeld gedeeltelijk waar. Sociaalwetenschappelijk onderzoek kan daarom alleen verwelkomd worden. Toch kan dit geen eindpunt zijn, en wel om een reden die het wezen van het recht raakt. Het recht is, zoals Kelsen als geen ander heeft aangetoond, een systeem van normen. Louter vaststellen hoe rechtspraak de facto tot stand komt, kan interessante sociologische inzichten bieden. Een jurist moet echter steeds ook nadenken over de mogelijkheden van juridische redeneringen, uitgaande van het positieve recht (en de bestaande rechtspraak). Alleen op die manier kan de normatieve aard van de Grondwet enigszins gevrijwaard blijven.

Diezelfde Kelsen maande tegelijkertijd aan om geen illusies te koesteren. De juridische methodenleer biedt geen antwoord op interpretatieproblemen. In de hiërarchie der normen vormt de hogere trede slechts een kader waarbinnen verschillende interpretaties mogelijk zijn. Dat geldt des te meer voor de Grondwet. Wie beweert met zekerheid uit de Grondwet te kunnen afleiden of een specifieke wet, bijvoorbeeld inzake de sociale zekerheid of milieubescherming, deze al dan niet schendt? Kelsen ging echter te ver, wanneer hij elke vorm van juridische methodenleer als zinloos beschouwde, en vond dat de rechtsleer zich moest beperken tot het beschrijven van alle mogelijke interpretaties. Alsof dat überhaupt mogelijk is!

De grondwet achter de Grondwet

Wat ons rest is de Duitse benadering. Dat houdt in dat op basis van een kentheoretisch uitgangspunt het positieve recht (en dus ook de bestaande rechtspraak) systematisch geordend wordt. Daarmee miskennen we de pragmatische aard van deze rechtspraak niet. Integendeel, deze is inherent aanwezig. Alleen dient, in zoverre mogelijk, dit pragmatisme overstegen te worden. Uit een systematische analyse kunnen theoretische premissen en methodologische regels volgen, die kunnen bijdragen tot een meer rationele rechtspraak. Uiteraard is deze rationalisering beperkt. Een pasklaar antwoord op een toekomstig probleem zal hieruit zelden volgen. En men mag ook niet blind zijn voor het feit dat het Grondwettelijk Hof niet strikt door dergelijke methodologische regels gebonden is.

Het Grondwettelijk Hof begeeft zich echter niet zomaar in een normatief vacuüm. Het gaat steeds uit van een bepaald voorbegrip (‘Vorverständnis’) van de Grondwet. Het is de opgave van de rechtsleer om, in dialoog met het Grondwettelijk Hof, dit subjectieve voorbegrip verder te objectiveren. Dat gebeurt met name door een grondwetstheorie uit te werken, die Ernst-Wolfgang Böckenförde als volgt omschrijft: “Verfassungstheorie in diesem Sinn bedeutet also nicht irgendeinen Vor-Begriff von Verfassung, sondern eine systematisch orientierte Auffassung über den allgemeinen Charakter, die normative Zielrichtung und die inhaltliche Reichweite der Verfassung als solcher und ihrer Teile.” Meer nog dan gedetailleerde methodologische regels, komt het er dus op aan om de normatieve reikwijdte van de Grondwet en zijn onderdelen duidelijk te bepalen. Wellicht zal de invloed van deze aanpak op de uitkomst van een individuele zaak beperkt blijven. Het kan echter wel de algemene richting van de interpretatie van de Grondwet vormgeven, en zo het Grondwettelijk Hof (enigszins) aan de Grondwet binden.

Grondrechtelijke chaos

Vooral inzake de grondrechten wordt het belang van dit uitgangspunt concreet. Een coherente grondrechtentheorie ontbreekt, waardoor elk grondrecht een eigen reikwijdte krijgt. Zoals bekend zijn de grondrechten uit Titel II van de Grondwet burgerlijk-liberale afweerrechten. Het Grondwettelijk Hof heeft deze catalogus geüpdatet door bepaalde grondrechten samen te lezen met het EVRM en de duiding van het EHRM. Het doet dit echter bij het ene grondrecht wel, bij het andere niet, bij het ene volledig analoog, bij het andere gedeeltelijk. Aan bepaalde grondrechten worden daardoor positieve verplichtingen gekoppeld, zodat deze grondrechten indirect een meer horizontale werking krijgen. Andere grondrechten zouden een afweging vereisen tussen verschillende belangen, wat overeenkomt met de theorie van grondrechten als principes van Robert Alexy. Een coherente grondrechtentheorie is de eerste en noodzakelijke stap om hier meer duidelijkheid te creëren en zo enige controle mogelijk te maken.

Federale logica

Wat de bevoegdheidsconflicten betreft, geldt het voorgaande minder, aangezien het Grondwettelijk Hof hier reeds een duidelijke logica volgt. Het streeft naar het bewaren van de institutionele stabiliteit. Met behulp van de proportionaliteitsvereiste, die inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening”, bewaakt het Grondwettelijk Hof de status quo. Het evenwicht van de federale constructie” mag niet “in haar geheel verstoord worden.

Interessant hierbij is ook het beginsel van de economische en monetaire unie. In het arrest nr. 47 van 1988 introduceerde het Grondwettelijk Hof dit beginsel als een “begrenzing die inherent is aan de globale Staatsopvatting”. Een beperking op dit beginsel dient te worden “ingepast in het globale kader van de Belgische staatsstructuur.” Hier zien we duidelijk hoe het Grondwettelijk Hof, dankzij weinig rationaliseerbare, holistische formuleringen, zichzelf de ruimte geeft om wetten en decreten pragmatisch in het geheel in te passen.

Naar een staatstheorie van het Grondwettelijk Hof?

Een laatste voorbeeld van het belang van een grondwetstheorie is het arrest nr. 62/2016. In dit arrest las het Grondwettelijk Hof een beperking in artikel 34 van de Grondwet in de context van het Unierecht. Er mag geen “discriminerende afbreuk” worden gedaan aan “de nationale identiteit die besloten ligt in de politieke en constitutionele basisstructuren of aan de kernwaarden van de bescherming die de Grondwet aan de rechtsonderhorigen verleent.” Wellicht zal Het Grondwettelijk Hof het concept van de ‘nationale identiteit’ invullen in een dialoog met het Hof van Justitie van de EU. Daarom worden hieronder vooral de wetgeving rond de taalbescherming en de federale staatsstructuur begrepen. Interessant is echter dat het Grondwettelijk Hof de wetgever ook expliciet bindt aan deze beperking (bij de verdere overdracht van bevoegdheden aan de EU). Dan is er eerder sprake van een ‘constitutionele identiteit’.

Hoe deze ingevuld kan en moet worden, doet interessante theoretische vragen rijzen. Dit veronderstelt een kentheoretisch uitgangspunt en daarmee samenhangend een grondwetstheorie. Een constitutionele kern impliceert immers een onderscheid tussen grondwetsartikelen, waarbij bepaalde artikelen een bijzondere waarde krijgen. Dat is vanuit een louter formalistisch oogpunt niet bepaalbaar. Het gaat om een inhoudelijke interpretatie, opnieuw vanuit een “globale Staatsopvatting”. Gaat het Grondwettelijk Hof daarbij uit van een ‘Kelseniaanse’ identiteit tussen de staat en de rechtsorde? Of volgt het Hof het Bundesverfassungsgericht, dat de staat als een sociale eenheid begrijpt, en zo soevereiniteit als argument in deze discussie introduceert?

Slotpleidooi

In deze korte bijdrage kunnen we geen antwoorden op deze vele vragen aanreiken. Veeleer moeten we ons beperken tot een pleidooi. Dat is geen pleidooi om grote staats- en grondwetstheorieën te introduceren in het Belgische staatsrecht, zoals deze bijvoorbeeld in Duitsland bestaan. Het is zelfs de verdienste van het Grondwettelijk Hof om, in tegenstelling tot het Bundesverfassungsgericht, de Grondwet niet té veel te willen interpreteren. Wel pleiten we voor meer reflectie over deze theoretische problemen. Want elke grondwetsinterpretatie, ook deze van het Grondwettelijke Hof, berust onvermijdelijk op theoretische premissen. Alleen wanneer deze uitgesproken worden, kan een dialoog tussen rechtsleer en rechtspraak volgen. Deze dialoog en reflectie zijn misschien wel evenzo fundamenteel als de ‘juistheid’ van een methode. Zo eindigt Gadamer zijn Wahrheit und Methode (1960) met de volgende woorden: “Was das Werkzeug der Methode nicht leistet, muss vielmehr und kann auch wirklich durch eine Disziplin des Fragens und des Forschens geleistet werden, die Wahrheit verbürgt.”

 

Arvid Rochtus schreef zijn masterscriptie over de interpretatiemethodes van het Grondwettelijk Hof onder begeleiding van Philippe Gérard aan het Leuven Centre for Public Law. Momenteel studeert verder hij aan de universiteit van Bonn, waar hij zich verdiept in het Duitse staatsrecht.

 

English summary

The question of constitutional interpretation, and the many theoretical problems it generates, have long been a neglected subject in Belgian constitutional law. Now that the Constitutional Court has become the most important interpreter of the Constitution, this subject gains importance. It is essential to reflect more on the theoretical premises of this interpretation. A constitutional theory could limit the normative reach of the Constitution, which makes it possible to control the Constitutional Court’s practice. This is exemplified by case law of the Constitutional Court.


A. ROCHTUS, "Grondwetstheorie en grondwetsinterpretatie in het Belgisch staatsrecht", Leuven Blog for Public Law, 30 November 2020, https://www.leuvenpubliclaw.com/grondwetstheorie-en-grondwetsinterpretatie-in-het-belgisch-staatsrecht (geraadpleegd op 28 January 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.