Een sterke rechter bij de minnelijke afhandeling van conflicten: blijft het beschikkingsbeginsel overeind?

Met de zogenaamde ‘Waterzooi’-Wet van 18 juni 2018 uitte de wetgever zijn belangstelling voor alternatieve wijzen van conflictoplossing. Deze minnelijke trajecten zouden een antwoord kunnen bieden op de gerechtelijke achterstand waar justitie reeds jaren mee kampt. Hierbij neemt de actieve rechter het roer over van de partijen en tracht hen zo tot een minnelijke oplossing voor hun geschil te brengen. In hoeverre is deze versterkte tussenkomst van de rechter verzoenbaar met het beschikkingsbeginsel als fundamenteel beginsel van het Belgisch gerechtelijk recht?

Beschikkingsbeginsel als postulaat van het gerechtelijk recht?

Het beschikkingsbeginsel, één van de fundamenten van het Belgisch burgerlijk procesrecht, wordt de laatste decennia sterk in vraag gesteld. Het liberale gedachtegoed, dat de voedingsbodem vormde voor de ontwikkeling van het civiel recht, lijkt zijn praktisch draagvlak te hebben verloren. Het procedurele gevolg hiervan is dat de twee pijlers waarop het beschikkingsbeginsel steunt, m.n. de partijautonomie en de rechterlijke lijdelijkheid, doorheen de jaren hun scherpe kanten verloren zijn en dus enige relativering behoeven. In de huidige stand van het burgerlijk procesrecht is een zuivere toepassing van deze beginselen uitgesloten; procespartijen worden steeds meer naar de achtergrond verdrongen ten gunste van een actieve rechter. In het kader van de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden geniet de rechter bijvoorbeeld van een – weliswaar beperkte – aanvullingsvrijheid betreffende de oorzaak, het voorwerp en het onderwerp van de vordering.

Ondanks deze ontwikkeling naar een soepelere toepassing van het beschikkingsbeginsel tijdens het burgerlijk proces, behoudt dit principe nog steeds zijn relevantie tijdens de verschillende fasen van het civiele geding. Tot op heden zijn het immers de procespartijen die de exclusieve verantwoordelijkheid dragen voor zowel de inleiding als de eventuele vervroegde beëindiging van het geding. Verder bepalen ook zij zowel de omvang als de feitelijke grondslag van het geschil. Het burgerlijk procesrecht stelt als algemene regel voorop dat de rechter slechts kan handelen op initiatief van een partij en dat de rechter enkel kan toekennen wat hem wordt gevraagd. Het zijn dan ook de partijen en niet de rechter die zowel de oorzaak als het voorwerp van de vordering bepalen, welke middelen zij opwerpen ter verantwoording, wie zij in het geding betrekken en of zij overgaan tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak.

Rechtspraak als ultimum remedium

De evolutie naar een meer actieve rechter sorteert de nodige effecten tijdens de formele afhandeling van het geding. Door de Waterzooi-Wet van 18 juni 2018 heeft de rechter de nodige hulpmiddelen in handen gekregen om partijen in de richting van een minnelijke afhandeling van hun conflict te sturen. Aangezien de bestaande minnelijke oplossingstrajecten, zoals verzoening en bemiddeling, thans slechts sporadisch en met gematigd succes worden toegepast, tracht de wetgever deze alternatieve procédés te stimuleren. De rechter zou enkel nog in uitzonderlijke omstandigheden een uitspraak vellen om het geschil tussen de partijen te beslechten; rechtspraak moet aldus worden beschouwd als een ultimum remedium.

De wetgever heeft van dit moment gebruikgemaakt om gestalte te geven aan een actieve rechter. Zo kan de rechter partijen verplichten tot een bemiddelingspoging vooraleer hij desgewenst overgaat tot geschillenbeslechting (artikel 1734, §1, tweede lid Ger. W.). Hij kan de procespartijen eveneens ondervragen over de stappen die zij reeds hebben ondernomen om hun geschil minnelijk op te lossen. In het geval dat zij hiertoe nog geen poging hebben ondernomen, informeert de rechter hen over deze mogelijkheid (artikel 730/1, §2 Ger.W.).

Naar een proceseconomische conflictoplossing

De ontwikkeling van een passieve, lijdelijke rechter naar een actieve rechter wordt deels gestuurd door de economisering van het procesdenken. Deze benadering vat de rechtspleging op als een openbare dienst die binnen een redelijke termijn en tegen een maatschappelijk verantwoorde kost moet worden geleverd. De tendens naar een proceseconomische conflictoplossing vereist dan een rechter die het geding uit handen van de partijen neemt om de overbelasting van het gerecht onder controle te houden. Daar alternatieve wijzen van conflictoplossing belangrijke proceseconomische voordelen blijken te hebben, zet de wetgever hierop in. De rechter meer mogelijkheden geven om partijen aan te zetten tot een bemiddelings- of verzoeningspoging, is hiervan een illustratie.

Wie houdt de procedurele touwtjes in handen?

Er mag geen twijfel over bestaan dat de tendens naar een actieve rechter bij de minnelijke afhandeling van conflicten is ingezet. De wetgever maakt dan ook voldoende duidelijk dat proceseconomische wijzen van geschillenoplossing hoog in het vaandel worden gedragen. De hypothese van een burgerlijke rechtspleging waarin de procespartijen zich moeten schikken naar keuzes die de actieve rechter voor hen maakt, lijkt thans niet (meer) onrealistisch.

Ondanks de toegevingen aan proceseconomische overwegingen blijft het beschikkingsbeginsel echter van centraal belang in ons procesrecht. Beperkte wetgevende ingrepen ten spijt, zijn de procespartijen nog steeds de domini litis van het burgerlijk proces. Zelfs wanneer de rechter een verplichte poging tot gerechtelijke bemiddeling oplegt aan de partijen, zijn nog steeds voldoende waarborgen voorzien om hen alsnog het laatste woord te geven. Zo kan de rechter de gerechtelijke bemiddelingspoging niet bevelen alvorens de partijen te hebben gehoord (artikel 1735 Ger.W.) of wanneer geen van de partijen hiervoor openstaat (artikel 1734, §1, tweede lid, in fine Ger.W.).

Welke richting het burgerlijk proces finaal zal uitgaan, met het beginsel van de proceseconomie aan de ene kant, en het beschikkingsbeginsel aan de andere kant van het spectrum, is uiteraard afhankelijk van toekomstige beleidskeuzes. Een doorgedreven proceseconomische benadering van de rechtspleging zou afbreuk doen aan het traditionele beschikkingsrecht van de procespartijen over het verloop van het geding. Waar het beschikkingsbeginsel sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek in 1967 is uitgegroeid tot een uitgekristalliseerde en verfijnde theorie, blijft het beginsel van de proceseconomie immers beperkt tot enkele vage ideeën zonder theoretisch kader. Proceseconomische overwegingen kunnen aldus slechts een wankel fundament bieden voor het Belgisch gerechtelijk recht.

Julie Huybrechts volgde als masterstudente aan de KU Leuven de major privaatrecht en de minor strafrecht. Zij bereidde in 2018-2019 haar masterthesis voor over het onderwerp van deze post onder begeleiding van Pieter Gillaerts.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.