Diversiteit tussen scholen onderling, of diversiteit tussen leerlingen onderling – Hoe geven we elk kind zijn of haar plek op school?

Diversiteit en scholen: het is en blijft een moeilijk spanningsveld. Niet alleen binnen de juridische wereld, maar ook in het maatschappelijk debat. Er is een luide roep om minder verschil tussen de scholen onderling (“geen moslimscholen!” / “het onderscheid tussen de netten is niet meer van deze tijd!”), maar ook publieke verontwaardiging over te veel diversiteit binnen een specifieke schoolcontext (“Geen hoofddoeken binnen de school!” / “Het katholiek onderwijs verloochent zichzelf indien het de deur openzet naar halal en gebedsruimten” / “Het GO! begaat een flater door ruimte te geven aan de thuistaal in de klas”).

Diversiteit binnen scholen onderling

Juridisch wordt de oprichting van nieuwe scholen beschermd door de grondwettelijk verankerde actieve vrijheid van onderwijs. Die grondwettelijke vrijheid is uiteraard geen vrijgeleide. Gaandeweg heeft onze decreetgever steeds meer ‘netoverschrijdende’ regels uitgevaardigd ter waarborging van een gelijkaardige kwaliteit in onderwijs en ter controle van de aanwending van de door de overheid verstrekte middelen. Voorbeelden zijn: controle op de scholen door de inspectie, waarborging van minimale lesinhouden via de eindtermen, gelijke inschrijvingsregels, enzovoort. Maar finaal geniet de actieve vrijheid van onderwijs wel grondwettelijke bescherming. Met andere woorden, het moet mogelijk blijven om zowel op basis van een levensbeschouwelijk project als op basis van een onderwijskundig project een school te starten én om dat project duurzaam vorm te geven tijdens de lessen. De aandachtige lezer begrijpt: het is dansen op een slappe koord om het evenwicht te bewaren. Sommige ouders kiezen dan ook voor de zekerheid en houden het heft liever in eigen handen. Wie de overheidsbemoeienis in het onderwijs met lede ogen aanziet, kan terugvallen op huisonderwijs, dat óók van de actieve vrijheid van onderwijs geniet. Maar sinds de decreetwijziging van 2013 is die uitweg grotendeels afgesneden. Er is dus een continue en terechte vraag naar kwaliteitswaarborgen en méér gelijke uitstroom tussen leerlingen, en (om het met een boutade te zeggen) het gesuggereerde antwoord daarop lijkt te liggen in méér gelijkheid tussen de scholen.

Diversiteit binnen elke onderwijscontext

Maar gaat die evolutie dan gepaard met een gelijktijdige openheid voor intern pluralisme? Is er dan ruimte binnen de school waarin elke leerling, hoe divers ook, zijn of haar plaats terugvindt, indien de schoolkeuze zelf minder garantie biedt op een divers keuzeaanbod? Ook hier raken we aan een essentieel juridische principe: deze keer niet verankerd in de grondwet maar wel in de mensenrechtenverdragen. Eén symbooldossier slorpt daar alle media-aandacht op. Het verbod op levensbeschouwelijke tekens, in het bijzonder het moeilijke evenwicht tussen neutraliteit en de hoofddoek.

De kern van dit juridische evenwicht werd in 2014 door de Raad van State uitgetekend. Ruw geschetst: een algemeen hoofddoekenverbod kan in onze huidige maatschappij niet. Een specifiek verbod op schoolniveau is wel mogelijk, maar alleen als er daadwerkelijk sprake is van dwang vanuit een bepaalde groep leerlingen, en alleen nadat er geprobeerd is om die groep die dwang oplegt eerst zelf aan te pakken. Ondanks die princiepsarresten blijft het een moeilijk debat, zowel politiek, sociologisch, als pedagogisch. Immers, iedereen wil zo goed mogelijk onderwijs waarborgen waarbinnen er plek is voor elke leerling om zich goed te voelen, maar de meningen over de concrete invulling daarvan, lopen uiteen. Is een neutrale safe zone de beste garantie, of een diverse speelplaats waar iedereen zijn eigen – ook religieuze – eigenheid evenwaardig mag beleven?

Ook juridisch is het debat minder duidelijk dan de princiepsarresten van de Raad van State doen uitschijnen. Het Europees Hof van de Rechten van de Mens oordeelt steevast dat lidstaten hierin een brede marge hebben om mensenrechten te interpreteren binnen de eigen nationale context, wat resulteert in uiteenlopende, contextgebonden arresten (vergelijk bijvoorbeeld de arresten S.A.S. t. Frankrijk, Leyla Sahin t. Turkije of tegenkanting). Dit maakt het niet gemakkelijk om één duidelijke mensenrechtelijke grenslijn te trekken die elke officiële school in België zou moeten respecteren. Daarbovenop voorziet ook het Verdrag betreffende de Rechten van het Kind ruimte voor intern pluralisme binnen de schoolmuren. Onder meer het gebruik van de eigen taal en culturele eigenheid wordt daar centraal gezet ter ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van elk kind. Uiteraard is hierin opnieuw een juridische evenwichtsoefening te maken. Té eenvoudige kritiek op het GO! wanneer het ruimte maakt voor waardering van de thuistaal, klinkt dan echter wat kort door de bocht.

Nood aan méér evenwicht in het diversiteitsdebat

Kortom: zowel het oprichten van diverse scholen als diversiteit binnen een specifieke schoolcontext zijn juridisch beschermd, respectievelijk als grondrecht en als mensenrecht. Maar dat maakt hen nog geen absolute rechten. Zoals hierboven verduidelijkt, moet er telkens een juridische evenwichtsoefening worden gemaakt om die rechten te balanceren met de grondrechten van anderen. Anderen, dat zijn de andere leerlingen, maar ook de ouders, de school, de leerkrachten, de overheid en de samenleving in haar geheel. Die delicate evenwichtsoefening is net de essentie van het juridisch denken. Vanuit die idee is het zorgwekkend te moeten vaststellen dat beide rechten nu gelijktijdig in de richting van een minimale invulling aan het evolueren zijn. Weinig ruimte voor diversiteit tussen scholen onderling, maar ook weinig ruimte voor diversiteit van leerlingen binnen elk van die individuele scholen. Dit roept tegenkanting op, vooral van diegenen die ruimte voor diversiteit levensnoodzakelijk vinden. Wie hen, zelfs met de beste bedoelingen, die plek niet geeft binnen de bestaande scholen, moet niet al te verbaasd zijn wanneer sommigen hun toevlucht nemen tot huisonderwijs en/of het oprichten van eigen scholen én dat juridisch afdwingen. En wie de mogelijkheid tot huisonderwijs en het oprichten van eigen scholen afsnijdt, moet niet te verbaasd zijn wanneer leerlingen binnen de bestaande scholen een plek voor diversiteit opeisen én dat juridisch afdwingen. Omgaan met diversiteit is immers een evenwichtsoefening, niet alleen juridisch, maar ook politiek.

Kurt Willems is professor onderwijsrecht aan KU Leuven, advocaat aan de Balie van Antwerpen, plaatsvervangend voorzitter van de deontologische Kamer van Beroep voor personeelsleden uit het vrij gesubsidieerd onderwijs en lid van de Commissie Leerlingenrechten.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.