Discriminatie op grond van vermeende handicap: een vacuüm in de EU anti-discriminatierichtlijnen

Print Friendly, PDF & Email

In de loop van 2020 verscheen het boek ‘Les grands arrêts en matière de handicap/ De belangrijkste arresten inzake handicap’. Daarin brengen bijdragen vanuit verschillende invalshoeken de belangrijkste rechtspraak bij om deze kritisch te analyseren. Deze blogreeks belicht enkele perspectieven. Deze week bespreken Marie Spinoy en Jogchum Vrielink attributieve discriminatie: discriminatie gebaseerd op bepaalde veronderstellingen over (de aanwezigheid van) een handicap. Beschermt het EU-antidiscriminatierecht hiertegen? En is dat wenselijk?

Dat discriminatiewetgeving beschermt tegen discriminatie op grond van handicap, is intussen wellicht een open deur. Minder vanzelfsprekend is de vraag of het slachtoffer van zo’n discriminatie ook steeds zelf een handicap moet hebben? Wat bijvoorbeeld wanneer iemand wordt ontslagen omdat diens werkgever verkeerdelijk veronderstelt dat de werknemer in kwestie een mentale beperking heeft (cf. deze zaak)? Of wanneer iemand nadelig behandeld wordt omdat degene die discrimineerde er ten onrechte van uitging – op grond van verkeerd “geïnterpreteerde” uiterlijke kenmerken – dat die persoon het syndroom van Down heeft? Er is dan discriminatie omdat wie discrimineert ervan uitging dat de andere persoon een handicap had, terwijl er helemaal geen beperking was.

Daaraan verwant is de discriminatie van iemand die wel degelijk een aandoening heeft zonder dat die aandoening echter aanleiding geeft tot (langdurige) functionele beperkingen (in de betrokken context). Het gaat dan bijvoorbeeld om een kandidaat-werknemer met obesitas die niet aangenomen wordt omwille van de foutieve perceptie van de werkgever dat de obesitas een obstakel zou vormen bij de uitoefening van het beroep (cf. deze zaak).

In beide soorten situaties wordt iemand benadeeld wegens een verkeerdelijk aan die persoon toegeschreven (deelaspect van een) kenmerk. In deze gevallen spreekt men van attributieve discriminatie of discriminatie op basis van een vermeend kenmerk. De stereotypen over wat mensen met een (specifieke) handicap wel of niet (zelfstandig) kunnen, maar ook de aanzienlijke drempel van het moeten bewijzen dat men effectief een handicap heeft alvorens aanspraak te kunnen maken op wettelijke bescherming, maakt bescherming tegen deze vorm van discriminatie voor handicap bijzonder relevant. Het is dan ook belangrijk te weten of deze vorm van discriminatie binnen het toepassingsgebied van de discriminatiewetgeving valt.

In onze bijdrage in het boek gaan we ook in op de hieraan verwante associatieve discriminatie. Ruim gesproken doelen we daarmee op de situaties waarin iemand anders dan de persoon met de handicap op basis van een associatie met die persoon (en dus met de handicap) gediscrimineerd wordt. Men kan bijvoorbeeld denken aan de discriminatie van een werknemer omwille van de handicap van diens kind (zie bv. hier of hier).

Unierecht en attributieve discriminatie : geen bescherming?

Gelet op de relevantie van attributieve discriminatie bij handicap, valt te betreuren dat vaak nog onduidelijkheid heerst over de mate waarin deze vorm van discriminatie binnen het toepassingsgebied van de antidiscriminatiewetgeving valt. Waar artikel 16 van het Gelijkekansendecreet expliciet aangeeft ook discriminatie op grond van vermeende kenmerken te viseren, is dit niet het geval voor de federale antidiscriminatiewet. Individuele rechters die de antidiscriminatiewet toepassen, oordelen hier dan ook in verschillende zin over (vgl. bv. deze zaak met deze zaak).

Hoe zit dat op het niveau van de Europese Unie, waar onze federale en deelstatelijke antidiscriminatiewetgeving grotendeels haar wortels heeft? De anti-discriminatierichtlijn blijft er stil over en ook het Hof van Justitie heeft zich er voorlopig nog niet rechtstreeks over uitgesproken. Toch valt een en ander af te leiden uit de rechtspraak van dat Hof.

Zo boog het Hof zich in de zaak Kaltoft over een geval waarin de zwaarlijvigheid van een man als kinderoppas mogelijk een rol speelde in diens ontslag. Het Hof past daarin eerst een sociale definitie van handicap toe: als zwaarlijvigheid “gezien de omstandigheden, leidt tot een [langdurige] beperking die […] het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels deze persoon kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen”, dan kan die een handicap uitmaken.

De verwijzende rechter moet dus nagaan of Kaltofts zwaarlijvigheid daadwerkelijk de deelname aan het beroepsleven verhindert of bemoeilijkt “wegens verminderde mobiliteit of het optreden van pathologieën”. Daarbij benadrukt het hof dat de rechter moet beoordelen of de zwaarlijvigheid hier zo’n beperking opleverde, “ondanks het feit dat Kaltoft (…) gedurende ongeveer vijftien jaar zijn werk heeft verricht”. Als er geen sprake is van een handicap in die zin, biedt de richtlijn geen bescherming.

Dit arrest lijkt dan ook weinig ruimte te bieden voor bescherming tegen attributieve discriminatie op grond van stereotypen over handicap. In die gevallen kan men immers geen “verminderde mobiliteit of pathologieën” aantonen die een belemmering vormen voor het uitoefenen van de beroepsactiviteit. De benadeling gebeurt net door de foutieve veronderstelling of toeschrijving van dergelijke belemmeringen aan een persoon. De advocaat-generaal in deze zaak vermeldde overigens de gevallen waarin een handicap verkeerdelijk wordt toegeschreven aan een persoon als ‘een lastig juridisch vraagstuk’ waarop in casu geen antwoord nodig was.

Unierechtelijke bescherming: de logica zelve

Deze rechtspraak lijkt dus aan te geven dat enkel wie (in de betrokken context) een handicap heeft (en dat ook kan aantonen), binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn valt. Er zijn echter wel degelijk goede redenen om de Richtlijn zo te interpreteren dat die beschermt tegen attributieve discriminatie.

Een eerste reden is te vinden in het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH). Dit verdrag, waarbij zowel België als de EU partij zijn, maakt een integraal deel uit van de rechtsorde van de Europese Unie. Waar mogelijk, moet de Richtlijn dan ook in overeenstemming met het VRPH geïnterpreteerd worden (zie bv. hier). Het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap (dat waakt over de tenuitvoerlegging van het VRPH) is er zeer duidelijk over: ook discriminatie op basis van een vermeende handicap valt onder het VRPH. Het mensenrechtenmodel van handicap, waarop het VRPH steunt, en de inclusieve gelijkheidsgedachte die het uitdraagt, hebben bovendien veel aandacht voor stereotypen over handicap en de benadeling die daaruit voortvloeit. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wiens rechtspraak het Hof van Justitie ook in acht neemt bij het interpreteren van grondrechten, toonde al oog te hebben voor discriminatie op grond van stereotypen gelinkt aan de gezondheidstoestand (bv. hier in §63-64 & 68). De doorgaans gehanteerde (en vereiste) conforme interpretatie pleit hier dus voor de bescherming tegen attributieve discriminatie.

Daarnaast is het aanvaarden van claims van attributieve discriminatie ook een logisch gevolg van eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie zelf, waar het wel doet blijken van een ruime interpretatie van discriminatie op grond van handicap. Zo overweegt het Hof in het mijlpaalarrest Coleman dat uit het discriminatieverbod (met uitzondering van de plicht tot redelijke aanpassingen) in de Richtlijn niet blijkt “dat het beginsel van gelijke behandeling dat deze richtlijn beoogt te garanderen, beperkt is tot personen die zelf een handicap hebben” maar dat zij integendeel tot doel heeft “om met betrekking tot arbeid en beroep alle vormen van discriminatie op grond van handicap te bestrijden”. Het toepassingsgebied van de Richtlijn is met andere woorden niet afhankelijk van de benadeling van een bepaalde categorie personen, maar wel van het feit dat een van de genoemde gronden (namelijk handicap) tot de benadeling leidde. Een andere interpretatie zou ertoe leiden dat de doelstelling van de Richtlijn en het nuttige effect ervan in het gedrang zouden komen. De zaak betrof een vrouw die gediscrimineerd werd omwille van de handicap van haar kind. Aangezien ze aldus in haar beroepsuitoefening gediscrimineerd werd op grond van handicap, kon ze zich volgens het Hof beroepen op de bescherming van de Richtlijn. Het principe dat het toepassingsgebied van de Richtlijn afhankelijk is van het gebruik van beschermde gronden zoals handicap en niet van lidmaatschap van een bepaalde categorie personen, werd overigens recent nog bevestigd in de zaak VL t. Szpital Kliniczny. Steunend op dit principe, oordeelde het Hof dat de Richtlijn ook beschermt tegen discriminatie tussen verschillende groepen van mensen met een handicap. Ten slotte kan ook de zaak HK Danmark vermeld worden waarin de maatschappelijke context die een handicap mede tot stand doet komen (in wisselwerking met “lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen”), centraal staat. Die aandacht voor de maatschappelijke context laat toe ook de discriminatie te zien die volgt uit foutieve stereotypen. (Vgl. ook hier §41 waarin de advocaat-generaal ook bij een vermeende handicap lijkt te wijzen op een plicht tot het voorstellen van redelijke aanpassingen.)

In geen van deze analyses is relevant of de persoon die het nadeel leed, ook “drager” is van de handicap of dat de handicap ook een “fysieke belemmering” oplevert. Integendeel, in de logica van deze zaken is een discriminatoire behandeling op grond van een toegeschreven handicap, die in werkelijkheid geen (relevante) beperking oplevert, nog altijd discriminatie op grond van handicap. Of de (resulterende) beperking fysiek of sociaal (bijv. gebaseerd op stereotypen en vooroordelen) is, lijkt niet te mogen uitmaken.

Conclusie: nood aan verduidelijking én bescherming

De rechtspraak van het Hof van Justitie leidt dus in twee verschillende richtingen. Vooralsnog werd het Hof ook niet rechtstreeks met deze vraag geconfronteerd. Zoals we hierboven aangeven, is echter duidelijk bij welke richting het antwoord op deze vraag aansluiting zou moeten zoeken. Een effectieve bescherming tegen discriminatie op grond van handicap veronderstelt ook bescherming tegen attributieve discriminatie op deze grond. Dat het Hof deze richting zal inslaan, is niet enkel belangrijk voor de effectieve bescherming tegen alle vormen van maatschappelijke benadeling op grond van handicap, maar ook logisch, gelet op het internationale kader waarbinnen het Hof rechtspreekt.

Marie Spinoy is als doctoraal onderzoekster verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.

Jogchum Vrielink is professor aan de Université Saint-Louis – Bruxelles. Hij is verbonden aan het Centre Interdisciplinaire de Recherches en droit Constitutionnel et administratif (CIRC) en het Séminaire interdisciplinaire d’études juridique (SIEJ).

Deze blogpost is gebaseerd op een hoofdstuk in Les grands arrêts en matière de handicap/ De belangrijkste arresten inzake handicap’ dat naast attributieve discriminatie ook de associatieve discriminatie bespreekt in de internationale, Europese en Belgische rechtsorde. Het volledige hoofdstuk is hier te lezen in open access.


Marie SPINOY & Jogchum VRIELINK, "Discriminatie op grond van vermeende handicap: een vacuüm in de EU anti-discriminatierichtlijnen", Leuven Blog for Public Law, 30 July 2021, https://www.leuvenpubliclaw.com/discriminatie-op-grond-van-vermeende-handicap-een-vacuum-in-de-eu-anti-discriminatierichtlijnen (geraadpleegd op 28 September 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.