De toegang tot de rechter in Vlaamse vergunningsprocedures: spreken is zilver, zwijgen is… fout?

De Codextrein introduceerde eind 2017 een ‘procedurele trechter’ of ‘fuik’ in de artikelen 53 en 105 van het OmgevingsvergunningendecreetIn een recent arrest ging het Grondwettelijk Hof over tot de vernietiging van deze procedurele trechter.

Sinds de Codextrein bevatten de artikelen 53 en 105 van het Omgevingsvergunningendecreet een ‘procedurele trechter’ of ‘fuik’: rechtzoekenden die geen gemotiveerde bezwaren hadden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek, verloren in principe de mogelijkheid om nog een administratief of jurisdictioneel beroep aan te tekenen tegen een toegekende omgevingsvergunning. Nochtans hadden de afdeling Wetgeving van de Raad van State en verschillende andere adviesinstanties reeds gewaarschuwd dat de invoering van deze trechter het recht op toegang tot de rechter onevenredig zou inperken, aangezien het inspraakrecht werd omgevormd tot een inspraakplicht. Het Grondwettelijk Hof maakt komaf met deze procedurele trechter in een recent arrest.

Het Hof besloot tot een strijdigheid met het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door artikel 13 Gw. De beperking van dit recht was volgens het Hof onevenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen (overw. B.5.6). Deze beoogde onder andere een snellere rechtszekerheid. Verwijzend naar het beginsel van behoorlijk burgerschap, stelde de decreetgever dat zij die nalaten hun rechten (tijdig) te doen gelden, bezwaarlijk later met goed gevolg een schending van deze rechten kunnen inroepen.

Hoewel het Grondwettelijk Hof dat niet in extenso heeft behandeld, was de procedurele trechter ook problematisch in het licht van het recht op toegang tot de rechter van artikel 6.1 EVRM en artikel 47 EU-Handvest en van het recht op toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden (artikelen 9.2 en 9.3 Verdrag van Aarhus). Uit de rechtspraak van de Europese hoven volgt immers dat een dergelijke trechter enkel toelaatbaar is onder bepaalde voorwaarden.

Personele trechter kan, voor zover evenredig

In het arrest Golder stelde het EHRM dat het recht op toegang tot de rechter van artikel 6.1 EVRM kan worden beperkt, op voorwaarde dat de beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie van het recht (§38). Later voegde het Hof in de zaak Ashingdane toe dat deze beperkingen evenredig moeten zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (§57).

In Commissie tegen Duitsland oordeelde het Hof van Justitie dat een zogenaamde ‘grondenfuik’ sowieso strijdig is met het recht op toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden(§76). Een grondenfuik beperkt de middelen die bij de rechter kunnen worden aangevoerd tot diegene die reeds in de bestuurlijke fase werden opgeworpen.

De ondertussen vernietigde Vlaamse regeling vormde echter geen grondenfuik, maar een ‘personele fuik’: de toegang tot de rechter werd afhankelijk gesteld van het voeren van een verweer in de bestuurlijke procedure. In Protect Natur-, Arten- und Landschaftsschutz Umweltorganisation stelde het Hof van Justitie dat artikel 9.3 Verdrag van Aarhus zich niet verzet tegen een personele trechter indien die het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 EU-Handvest eerbiedigt (§87). Een beperking van dit recht is volgens artikel 52(1) EU-Handvest enkel mogelijk indien de essentie van het recht op toegang tot de rechter niet in het gedrang komt en de beperking niet onevenredig is met het doel van de trechter (§90).

Onevenredige trechter in Codextrein

De Vlaamse trechter miskende echter de rechtspraak van het EHRM en voldeed  niet aan de voorwaarden van artikel 52(1) EU-Handvest. Hij deed immers afbreuk aan de essentie van het recht op toegang tot de rechter en schond het proportionaliteitsbeginsel omwille van verschillende redenen.

Zo rekte de decreetgever het beginsel van behoorlijk burgerschap uit tot te verregaande dimensies, aangezien rechtzoekenden onmogelijk over alle noodzakelijke informatie konden beschikken om hun beroepsmogelijkheden te vrijwaren. Zij hebben, op het moment van het openbaar onderzoek, immers nog geen kennis van de beoordeling van de aanvraag door de vergunningverlenende overheid. Ook nemen zij pas ten vroegste na de bekendmaking van de vergunningsbeslissing kennis van de eventueel vereiste adviezen die tot doel hebben de beslissing van de vergunningverlenende overheid een stedenbouwkundige en milieutechnische onderbouwing te geven.

De parallel die de decreetgever trok met de bestaande vereiste van de uitputting van het voorafgaand administratief beroep voor het instellen van een jurisdictioneel beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (artikel 105, § 2, tweede lid Omgevingsvergunningendecreet) en met de personele trechter van het Nederlandse omgevingsrecht (artikel 6:13 Algemene wet bestuursrecht), gaat dan ook niet op. Daar is immers reeds een vergunningsbeslissing of, in het Nederlandse geval, een ontwerpbeslissing voorhanden en zijn de rechtzoekenden dus in staat om te beoordelen of een beroep zinvol is.

Een recent onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel toont bovendien overtuigend aan dat de huidige organisatie van het openbaar onderzoek voor de gewone burger nog niet transparant genoeg is. Uit de studie blijkt ook dat het openbaar onderzoek te laat komt in het vergunningsproces om een actieve zinvolle participatie te organiseren.

De personele trechter was dan ook onevenredig met de (legitieme) doelstelling om de vergunningverlenende overheid zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van eventuele bezwaren en relevante gegevens. Deze doelstelling verantwoordde immers niet dat rechtzoekenden verplicht werden om een gemotiveerd bezwaar in te dienen op het ogenblik dat zij nog niet over alle relevante informatie beschikten, teneinde hun beroepsmogelijkheden te vrijwaren.

Bovendien strookte de procedurele trechter evenmin met de verplichting, die voortvloeit uit artikel 9.2 Verdrag van Aarhus en het arrest Lesoochranárske zoskupenie VLK van het Hof van Justitie, om aan belanghebbenden een ruime toegang tot de rechter te verschaffen (§58). De drie voorziene uitzonderingsgevallen op de procedurele trechter waren immers te beperkt. Hierdoor was de uitoefening van het recht op toegang tot de rechter voor een aantal rechtzoekenden zelfs onmogelijk. Zo konden rechtzoekenden die pas op het ogenblik van de bekendmaking van de vergunningsbeslissing kennis kregen van de voor hen nadelige gevolgen, geen beroep meer instellen.

To be continued…

De invoering van de procedurele trechter in de Codextrein kadert in een groeiende belangstelling voor de beginselen van behoorlijk burgerschap. De verwachtingen die aan de burger worden gesteld, mogen echter niet onevenredig zijn. Indien de Vlaamse Regering een nieuwe trechter wenst in te voeren, zal ze er bijgevolg voor moeten zorgen dat de regeling onder andere:

    • garandeert dat rechtzoekenden, op het ogenblik waarop ze verplicht zijn om hun bezwaren te uiten, kennis hebben van het standpunt van de vergunningverlenende overheid en over alle andere noodzakelijke informatie beschikken om op een nuttige manier hun recht op toegang tot de rechter te vrijwaren;
    • waarborgt dat deze noodzakelijke informatie voldoende helder en verstaanbaar is;
    • duidelijk aangeeft wat de rechtzoekenden precies moeten vermelden in hun bezwaren om hun beroepsmogelijkheden te vrijwaren;
    • verzekert dat rechtzoekenden die pas op het ogenblik van de bekendmaking van de vergunningsbeslissing opmerken dat deze voor hen nadelige gevolgen kan hebben, alsnog een administratief of jurisdictioneel beroep kunnen instellen.

Een gewaarschuwde decreetgever is er twee waard…

Ellen Gerits is laatstejaarsstudente aan de KU Leuven met als major Publiekrecht en als minor Internationaal en Europees recht. Zij bereidde haar masterthesis voor over het onderwerp van deze post onder begeleiding van Pieter-Jan Van de Weyer.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

One Reply to “De toegang tot de rechter in Vlaamse vergunningsprocedures: spreken is zilver, zwijgen is… fout?”

  1. De VVSG stelde voor dat het beroep zou beperkt worden tot de gevallen dat de gemeentelijke beslissing niet correct, niet wettig is (incl. motiveringsplicht)
    Als een gemeentelijke beslissing correct is, dan mag de provincie die niet herschrijven omdat zij binnen hetgeen wettelijk mogelijk is (beleidsruimte) een andere keuze wil maken dan de gemeente.
    Anders dan nu zal de provincie dan niet meer kunnen tussenkomen bij goed onderbouwde beslissingen van de gemeente, maar behoudt men het beroepsrecht als de gemeente iets verweten kan worden.
    Concreet zou dat kunnen luiden: Omgevingsvergunningsdecreet, art. 63. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52 (=beroepsoverheid), onderzoekt de wettigheid van de bestreden beslissing. Als de bestreden beslissing onwettig is, dan onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, de vergunningsaanvraag in haar totaliteit.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.