De Grondwet Gequoteerd: over Grondwettelijke Genderpariteit

Deze week stelden zowel de Sp.a als de PS een genderplan voor als deel van hun verkiezingscampagne. Eerder stelden Marike Lefevre en Marie Spinoy op de conferentie ‘Welke Grondwet na 2019?’ voor om artikel 11bis, tweede lid van de Grondwet te wijzigen om de genderpariteitsvereiste in dit artikel veeleisender te maken. Naar aanleiding van Internationale Vrouwendag geven zij graag wat meer uitleg bij hun voorstel.

Huidig Grondwettelijk kader en voorstel tot herziening

Het voorstel heeft meer bepaald betrekking op het tweede lid van artikel 11bis Gw.: ‘De Ministerraad en de Gemeenschaps- en Gewestregeringen tellen personen van verschillend geslacht.’(eigen cursivering)

Aan deze waarborg is dus voldaan als minstens één lid van de regering van een verschillend geslacht is dan de rest van de regering. Wij stellen voor om deze waarborg sterker te maken door vast te leggen dat de Ministerraad en de Gemeenschaps- en Gewestregeringen niet meer dan 2/3 personen van hetzelfde gender mogen tellen.

Het meer inclusieve begrip gender verdient de voorkeur boven de term geslacht aangezien ook wie non-gender binair is, eronder valt. Wellicht is ook een bredere reflectie door de Grondwetgever over deze terminologie aan te bevelen. Des te meer aangezien in de Franse versie van de Grondwet zowel ‘sexe’ (artikel 11bis Gw.) als ‘genre’ (artikel 67 §3 Gw.) gebruikt worden.

Het voorstel is dus ook niet expliciet asymmetrisch (‘ten minste 1/3 vrouwen’). Gezien de historische erfenis lijkt het wel waarschijnlijker dat de uitwerking asymmetrisch zal zijn en (toch zeker de eerste periode) ten voordele van vrouwen kan werken. De genderwaarborg kan echter ook ten voordele van mannen werken als meer dan 2/3 van de regering anders vrouwelijk zou zijn.

Waarom gewaarborgde vertegenwoordiging?

Deelname aan de politieke structuren van een samenleving is essentieel om volwaardige (en duurzame) materiële gelijkheid te bekomen. Deze deelname aan de politieke besluitvorming (‘political voice’) vormt dan ook één aspect van het internationaal onderschreven concept van materiële gelijkheid ontwikkeld door professor Sandra Fredman (University of Oxford). Bovendien toont onderzoek aan dat regeringen  betere beslissingen nemen wanneer meer vrouwen er deel van uit maken.

Idealiter voltrekt de transformatie naar meer gelijkheid zich op natuurlijke manier. Uit formele gelijkheid (gelijkheid voor de wet) zou dan ook materiële (of feitelijke) gelijkheid volgen. 100 jaar na de invoering van een eerste beperkt stemrecht voor een aantal vrouwen, 98 jaar na de algemene invoering van vrouwenverkiesbaarheid  en 71 jaar na de invoering van het algemene stemrecht voor vrouwen. lijkt dit echter nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Vrouwen blijven nog steeds de minderheid van de verkozenen in de parlementen ondanks de pariteit op de kieslijsten. In de federale regering waren vrouwen amper aanwezig. Slechts 14,5% van de Vlaamse burgemeesters zijn vrouwen. Vrouwelijke politici krijgen bovendien andere vragen en kritiek dan hun mannelijke collegae en worden doorgaans agressiever bekritiseerd. Dit suggereert dat vrouwen ook nadat ze verkozen worden, ongelijk behandeld worden. Bovendien kan het een grote drempel vormen tot actieve deelname aan de politiek.

Die ongelijkheid is niet verwonderlijk aangezien eeuwen van formele ongelijkheid (geen stemrecht, geen verkiesbaarheid, geen handelingsbekwaamheid…) een erfenis van structurele discriminatie van vrouwen nalaten. Die uit zich onder meer via een implicit bias. Om dit patroon te doorbreken, zijn maatregelen nodig die dit ingebouwde onevenwicht tegengaan. Quota zijn hier een voorbeeld van (hoewel er ook minder dwingende alternatieven bestaan).

Wij verdedigen een quota van 2/3 personen van hetzelfde gender aangezien we het idee afwijzen dat het in 2019 nog steeds onmogelijk zou zijn dit aantal getalenteerde vrouwelijke politici te vinden. Het lijkt erop dat zonder dwingende maatregelen een situatie die dichter in de buurt komt van pariteit nog lang op zich zal laten wachten.

We verdedigen sterkere quota dan het huidige artikel 11bis Gw. aangezien onderzoek wijst op het belang van sterke quota. Als quota te zwak zijn, zouden ze net gelijkheid tegenwerken. Dan is er in theorie gewaarborgde aanwezigheid maar is die in de praktijk niet sterk genoeg om een verschil te maken. Het wordt dan onmogelijk te wijzen op de ondervertegenwoordiging want ‘daar wordt toch al iets aan gedaan’. Een zwakke waarborg verwordt snel tot tokenism en biedt dus geen stabiele grondslag voor duurzame structurele verandering. Mede daarom pleiten wij voor sterkere quota.

Als deel van een breder kader

In het licht van het voorgaande stellen wij voor artikel 11 bis, tweede lid van de Grondwet als volgt te wijzigen : ‘De Ministerraad en de Gemeenschaps- en Gewestregeringen tellen niet meer dan 2/3 personen van hetzelfde gender. Voor het berekenen hiervan worden de staatssecretarissen mee in acht genomen.’

Een belangrijke nuance bij ons voorstel is wel dat quota op zichzelf niet kunnen volstaan. Dit voorstel moet dan ook deel uitmaken van een bredere maatschappelijke reflectie over de algemene context van vertegenwoordiging in de politieke organen (en het bestaande wettelijk kader hiervoor). Deze reflectie heeft idealiter ook betrekking op andere ondervertegenwoordigde groepen en heeft oog voor intersectionele kwetsbaarheid.

Vrouwenvertegenwoordiging kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden door raadpleging van vrouwen te garanderen of door bij elke beslissing ook ernstig te overwegen wat de impact ervan zal zijn op gendergelijkheid (mainstreaming). Om te vermijden dat dit soort vereisten een box ticking exercise worden, moet ook in het maatschappelijk debat het idee levend gehouden worden dat vrouwenvertegenwoordiging (nog) niet vanzelf gebeurt en wel degelijk belangrijk is. Om het met de woorden van Europees Parlementslid Clare Moody vorige week te zeggen: ‘this is an agenda which requires external vigilance.’

*Oprechte dank aan al wie bijdroeg aan de constructieve discussie over het voorstel op de conferentie.

Marike Lefevre is a PhD researcher specializing in human rights law at the  Leuven Centre for Public Law.

Marie Spinoy is a PhD-researcher on discrimination law at the Leuven Centre for Public Law.

Deze blogpost is een uitwerking van argumentatie die ontwikkeld werd in het kader van de conferentie ‘Welke Grondwet na 2019?’, georganiseerd door Frédéric Bouhon (ULiège), Mathias El Berhoumi (Université Saint-Louis – Bruxelles), Toon Moonen (UGent), Céline Romainville (UCLouvain) en Dave Sinardet (VUB). Het syntheserapport waarin de conferentie resulteerde, werd ook overhandigd aan de beleidsmakers. Ook andere onderzoekers van het Leuven Centre for Public Law zetten hier voorstellen tot grondwetswijziging uiteen.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.