De gedifferentieerde waarborg van de lokale autonomie (2/2): Beschikken de Brusselse gemeenten over minder gemeentelijke autonomie?

Print Friendly, PDF & Email

Peut-on parler d’une approche particulière de la notion d’autonomie communale à Bruxelles?” Deze pertinente vraag werd opgeworpen door dr. Chantal Kesteloot op een studiedag in december 2002 omtrent de rol van de negentien gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Deze blogpost van drs. Karel Reybrouck argumenteert dat de Brusselse gemeenten inderdaad over minder lokale autonomie beschikken dan de andere Belgische gemeenten. Die controversiële stelling lijkt zelfs bevestiging te vinden in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.

De lokale autonomie in Brussel

Sinds de oprichting van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest in 1989 is een sterke trend te ontwaren in de richting van een centralisering van bevoegdheden ten koste van de Brusselse gemeenten. Professor Hugues Dumont stelt dat de tendens zich in het bijzonder laat gevoelen in de gewestelijke materies stedenbouw, waterbeleid, tewerkstellingsbeleid, en ook ten aanzien van de MIVB. Ook de intra-Brusselse hervorming in de zesde staatshervorming versterkte de gewestelijke greep op het beleid inzake ruimtelijke ordening, huisvesting, mobiliteit en netheid. Deze ‘ongebreidelde centraliseringsgolf’ wordt steeds vaker aan de kaak gesteld door voorstanders van een sterk gemeentelijk niveau in Brussel.

De Brusselse Parkeerordonnantie

De evolutie van het parkeerbeleid in de Brusselse gemeenten illustreert deze centraliseringstendens treffend. In het begin van de jaren 2000 bestond er in Brussel nog geen gewestelijke regeling inzake parkeren. Het parkeerbeleid behoorde tot de gemeentelijke autonomie. De negentien Brusselse gemeenten regelden deze materie dus elk apart, op basis van hun eigen beoordelingen en via verschillende reglementeringen. In 2009 kwam daar verandering in toen het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de Brusselse Parkeerordonnantie aannam en zo een eenvormig parkeerbeleid invoerde voor het ganse Gewest.

Daarop trokken vier Brusselse gemeenten naar het Grondwettelijk Hof. Ze eisten er de vernietiging van de ordonnantie op grond van een schending van de gemeentelijke autonomie. In het arrest nr. 89/2010 legde het Grondwettelijk Hof de gemeentelijke grieven naast zich neer:

Rekening houdend met het feit dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, wat betreft de wegen op zijn grondgebied, specifieke kenmerken vertoont, namelijk hun grote interpenetratie in een dichtbevolkte stedelijke omgeving en op een beperkt grondgebied, kunnen door de gemeenten ter zake aangenomen uiteenlopende reglementeringen nadelen met zich meebrengen (…). Er kan derhalve worden aangenomen dat de parkeerreglementering voor de Brusselse ordonnantiegever een maatregel kan zijn die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake beheer van de wegen, om de door hem bepaalde doelstellingen te bereiken, rekening houdend met de bijzondere situatie waarin de negentien gemeenten van het Gewest zich bevinden.”

De bijzondere situatie in Brussel

Het Hof verwees dus naar enkele specifieke kenmerken van de Brusselse gelaagde structuur (“[de] grote interpenetratie in een dichtbevolkte stedelijke omgeving en op een beperkt grondgebied”) om een aantasting van de lokale autonomie als evenredig te beschouwen. Met andere woorden: de “bijzondere situatie waarin de negentien gemeenten en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zich bevinden”, beïnvloedt volgens het Hof de waarborg van de lokale autonomie van de Brusselse gemeenten. Aangezien deze bijzondere situatie zich niet voordoet in het Vlaamse of het Waalse Gewest, zal de waarborg van de lokale autonomie in die gewesten minder snel aan de kant kunnen worden geschoven. Een decretale centralisering van het parkeerbeleid zou in de andere gewesten, naar alle waarschijnlijkheid, wel een ‘kennelijk onevenredige inbreuk’ op de lokale autonomie vormen.

Het arrest over de Brusselse Parkeerordonnantie bevestigt de stelling dat de waarborg van de lokale autonomie inderdaad een gedifferentieerde werking heeft, zoals ook in een vorige blogpost werd aangegeven. De regionale situatie waarin een gemeente zich bevindt en de nabijheid van de hogere overheid, zijn belangrijke factoren bij het beoordelen van de proportionaliteit van een inperking van de lokale autonomie. De sterke nabijheidsfactor stelt het Brusselse stadsgewest (en de drie gemeenschapscommissies) in staat om het beleid af te stemmen op maat van de Brusselse realiteit. Het verschil tussen het lokaal belang van, pakweg, de gemeente Anderlecht en het overkoepelende ‘gewestelijk’ Brussels belang is eerder beperkt. Dit verschil is in ieder geval kleiner dan het contrast tussen het regionaal Vlaams belang en het gemeentelijk belang van de gemeente Koksijde.

Munitie voor regionalisten en fusie-adepten?

Hoe moeten deze theorie van de gedifferentieerde waarborg van de gemeentelijke autonomie en de verminderde mate van lokale autonomie van de Brusselse gemeenten nu gekaderd worden binnen het bredere debat over de toekomst van de Brusselse instellingen?

Enerzijds speelt deze theorie in op het debat tussen regionalisten en municipalisten, dat al jaren in volle hevigheid woedt binnen Brussel. Het biedt een argument voor regionalisten, omdat de theorie de weg lijkt te plaveien voor een verdere versterking van het Gewest ten koste van de gemeenten. De municipalisten, die hameren op het behoud van sterke gemeenten, zullen in de theorie waarschijnlijk een verdere aanval zien op de vermeende sacraliteit van de gemeentelijke autonomie in Brussel.

Anderzijds verrijkt deze theorie het debat tussen regionalisten onderling, met name dat tussen fusie-adepten en voorstanders van een geleidelijke versterking van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest ten koste van de gemeenten. Die laatste strekking bepleit een stapsgewijze centralisering van gemeentelijke bevoegdheden in plaats van een (onrealistisch geachte) fusie van de Brusselse gemeenten. Hoewel ‘de gedifferentieerde waarborg van de lokale autonomie’ in de kaart lijkt te spelen van deze tweede strekking (geleidelijke versterking gewest), past meteen een caveat. Ook na een nuancering van de waarborg van de lokale autonomie blijft het principe van de lokale autonomie in de huidige Brusselse architectuur een slot op de deur voor verregaande centraliseringsoperaties. Elk gewestelijk optreden dat de essentie van de gemeentelijke bevoegdheden zou ontzeggen (denk bv. aan een regionalisering van de lokale fiscaliteit), of elk gewestelijk optreden waarvan niet afdoende wordt aangetoond dat het Gewest effectiever kan optreden dan de gemeenten, zal immers steeds een schending vormen van de lokale autonomie. Elke centraliseringsoperatie in Brussel riskeert zo in lange juridische procedures te verzanden. Dat vormt net het verschil tussen een districtsmodel zoals Antwerpen, waar centraal wordt beslist welke taken en middelen worden gedecentraliseerd naar de districten, en een gemeentemodel zoals Brussel, waarin bevoegdheidsverschuivingen steeds de toets van de lokale autonomie moeten doorstaan. Hoewel de theorie van de gedifferentieerde waarborg van de lokale autonomie de lat verlaagt voor verregaande centraliseringsplannen van Brusselse regionalisten, kan enkel een omvorming van de gemeenten in districten deze lat helemaal wegnemen.

De gedifferentieerde waarborg van de lokale autonomie

Peut-on parler d’une approche particulière de la notion d’autonomie communale à Bruxelles? Hoewel het Grondwettelijk Hof deze vraag affirmatief lijkt te beantwoorden in het arrest over de Brusselse Parkeerordonnantie, stond de rechtsleer nog niet uitgebreid stil bij de theoretische consequenties van dit arrest. Wat tot nog toe onderbelicht bleef, is dat achter de uniforme (inter)nationale façade van de waarborg van de lokale autonomie, sterk verschillende regionale situaties schuilgaan.

Die verschillen leiden ertoe dat de bescherming van de lokale autonomie niet meer in dezelfde mate toekomt aan alle Belgische gemeenten. Door het samenspel van proportionaliteit, subsidiariteit en federalisme is dus een zekere differentiatie binnengeslopen in de eeuwenoude waarborg van de lokale autonomie.

Karel Reybrouck is als doctoraal onderzoeker in het Constitutioneel Recht verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.

Deze blogpost is een beknopte bespreking van de bijdrage “De grondwettelijke waarborg van de gemeentelijke autonomie, federalisme en Brussel” aan het verzamelwerk Themis 114 – Actualia gemeenterecht 2020.

Opmerkingen over de inhoud van deze blogpost? Stuur je feedback zeker door naar [email protected]!


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.