Dan toch op weg naar een volwaardig mensenrechteninstituut in België?

Onlangs werd in de Commissie Buitenlandse Betrekkingen een wetsvoorstel aangenomen voor de oprichting van een nationaal mensenrechteninstituut (NMRI) op federaal niveau in België.  Aanstaande donderdag zal deze wet waarschijnlijk plenair gestemd worden in de Kamer.

Nationale mensenrechteninstituten zijn onafhankelijke organen die belast zijn met de bescherming en bevordering van mensenrechten op nationaal niveau. De bedoeling van zulke instituten is om de kloof te dichten tussen het supranationale systeem ter bescherming van mensenrechten (VN, EU, OVSE, Raad van Europa) en de implementatie van mensenrechten op nationaal niveau. In de nationale rechtsorde is een dergelijk instituut van belang aangezien er dan een permanente onafhankelijke mensenrechtenwaakhond met expertise bestaat. Zo’n instituut kan dan onder andere voorstellen doen aan de overheid over hoe mistoestanden aan te pakken en kan burgers beter bewust maken van zaken die nu soms niet aan het licht komen maar wel impact hebben op eenieders rechten (bijvoorbeeld artificiële intelligentie of de privatisering van publieke basisdiensten).

De principes van Parijs, in 1993 bekrachtigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zetten de criteria uiteen waaraan zo’n instituut zou moeten beantwoorden om als volwaardig beschouwd te worden. Deze nationale instellingen voor de rechten van de mens maken deel uit van de Internationale Alliantie van Mensenrechteninstituten (GANHRI) en, op Europees niveau, van het Europees Netwerk van Nationale Mensenrechteninstellingen (ENNHRI). Onder toezicht van de Verenigde Naties, beoordeelt GANHRI of een bepaald instituut wel degelijk is opgericht en/of opereert volgens de voormelde principes. Dit heet de accreditatie. Zo kan een instituut een A-status verkrijgen indien het volledig beantwoord aan de principes, een B-status indien het slechts gedeeltelijk conform is en ten slotte kan het ook geen status toebedeeld krijgen.

Hoewel staten beschikken over beleidsmarge bij de oprichting van een NMRI zijn er evenwel enkele minimale vereisten waaraan zo’n instituut zeker moet voldoen:

  • Het mandaat en de bevoegdheid van het instituut moeten zo ruim mogelijk zijn.
  • Het instituut moet autonoom bestaan en dus kunnen opereren zonder enige inmenging van de overheid.
  • De onafhankelijkheid van het instituut moet (grond)wettelijk vastgelegd zijn. Deze vereiste duidt op de procedure van de aanstelling, het statuut en het ontslag van de leden.
  • Pluralisme: deze vereiste heeft betrekking op de samenstelling van het NMRI.
  • Het instituut moet beschikken over voldoende middelen.
  • Voldoende bevoegdheid en macht om zaken te onderzoeken.

Een NMRI in België?

Recent verkreeg Unia, het Interfederaal Gelijkekansencentrum in België, de erkenning als nationale mensenrechteninstelling met status B. Aangezien dit instituut enkel bevoegd is in het domein van antidiscriminatie en de rechten van mensen met een handicap, kwam het niet in aanmerking als volwaardig mensenrechteninstituut met een A-status. Het Federaal Migratiecentrum MYRIA en het Steunpunt armoedebestrijding, de twee andere Belgische leden die aangesloten zijn bij het Europees Netwerk van Nationale Mensenrechten instituten (ENNHRI), hebben op dit moment geen status.

Hoewel er in België tal van instanties zijn die specifieke mensenrechten ter harte nemen (Unia, Myria, de Gegevensbeschermingsautoriteit, de Nationale Commissie voor de Rechten van het Kind, het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, enzovoort), ontbreek er een instituut met een ruim mandaat.  De voormelde instituten functioneren ieder vanuit hun eigen mandaat en eigen dynamiek.

Een helikopterperspectief waarbij men de situatie van mensenrechten in België in haar geheel kan overschouwen, is dus afwezig. Met andere woorden, een toezichtmechanisme dat zich – met autoriteit en een brede kijk – kan uitspreken over álle mensenrechten, ontbreekt. Verschillende mensenrechtenissues worden op dit moment niet behandeld en/of opgevolgd door één van de voormelde instanties.

Hoewel het regeerakkoord van 2003 reeds voorzag in de oprichting van een nationaal instituut in België dat beantwoordt aan de principes van Parijs, was het tot nu wachten op een wetgevend initiatief. In 2011 en in 2016 werd België tijdens de Universele Periodieke Evaluatie door de lidstaten van VN-Mensenrechtenraad op de vingers getikt omdat in België geen volwaardig mensenrechteninstituut voorhanden is. Daarop verbond België zich keer op keer om een nationaal instituut op te richten dat in overeenstemming is met de Principes van Parijs. Het federaal Regeerakkoord van 9 oktober 2014 bepaalt bovendien expliciet het volgende:

“Conform onze internationale engagementen, zal een nationaal mensenrechtenmechanisme worden opgericht”.

De eerste horde is genomen maar de finish is nog niet in zicht

De eerste wetgevende stap is nu wel degelijk gezet. Het wetsvoorstel vermeldt duidelijk dat er een mensenrechteninstituut moet worden opgericht om tegemoet te komen aan de hiaten in de mensenrechtenbescherming in België. Zo staat erin te lezen dat er tal van aangelegenheden zijn die voortvloeien uit verdragen voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens waarbij België partij is, die thans niet behandeld worden door de voormelde instanties. De Commissie Buitenlandse Betrekkingen stelt dan ook dat moet worden voorzien in een mechanisme met een algemene en residuaire bevoegdheid om de fundamentele rechten in België volledig te bestrijken via onafhankelijke instanties die voldoen aan de voorschriften vastgesteld in internationale normen die van toepassing zijn, in casu de Principes van Parijs.

De tweede stap is nu om het voorstel effectief uit te voeren en te zorgen voor een mensenrechteninstituut dat onafhankelijk is, voldoende werkingsmiddelen heeft en een zo ruim mogelijk mandaat beslaat.

Wat betreft deze laatste vereiste, moet worden opgemerkt dat het wetsvoorstel voorziet in de oprichting van een instelling bevoegd voor de aangelegenheden die onder de federale bevoegdheid vallen, met uitzondering van wat wordt behandeld door de andere onafhankelijke instanties hierboven vermeld. Ten eerste kan men zich afvragen of het gegeven dat er uitzonderingen zijn die niet zullen behandeld worden door het NMRI, niet op gespannen voet komt te staan met de ‘algemene’ bevoegdheid die elders wordt betracht? Verder moet er op gewezen dat er met het wetsvoorstel geen interfederaal instituut wordt opgericht. Het interfederaliseren zou als voordeel hebben dat het instituut een ruimere bevoegdheid heeft hetgeen de kans verkleint op hiaten in de opvolging en bescherming van mensenrechten in België.  Dit staat ook al te lezen in het wetsvoorstel zelf:

De keuze voor een federaal Instituut stoelt op overwegingen inzake timing. Het lijdt geen twijfel dat een interfederalisering wenselijk is. In de huidige legislatuur rest er evenwel niet voldoende tijd om nu nog tot een interfederaal orgaan te komen. Het doel is tijd te winnen door nog tijdens deze legislatuur de wettelijke grondslag te creëren om de structuur op te starten. De praktische oprichting neemt onvermijdelijk tijd in beslag.”

Ten tweede zijn mensenrechten in België in hoge mate gemeenschapsbevoegdheden en is dus de federale overheid onbevoegd. Zo is het bijvoorbeeld vreemd dat er in wetsvoorstel verwezen wordt naar promotie van mensenrechten via onderwijs hetgeen buiten het bereik ligt van een federale instelling. Hier moet bijgevolg de vraag gesteld worden of het huidige voorstel tegemoet komt aan de belofte om een NMRI op te richten dat voldoet aan de minimumstandaarden.

Ten slotte, lijkt het een gemiste kans te zijn dat het wetsvoorstel geen regeling omvat van de (volgens de principes van Parijs weliswaar facultatieve) klachtenprocedure.  Net zoals UNIA en het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, lijkt het zeker voor een NMRI van belang dat het instituut de bevoegdheid heeft om klachten te onderzoeken en de nodige stappen te zetten. Het NMRI zou de belangen van de burger moeten kunnen verdedigen bij administraties en overheden en het zou eveneens moeten kunnen bemiddelen in de relatie tussen burger en overheid.

Aldus mag de volgende legislatuur niet op haar lauweren blijven rusten en zal ze verder werk moeten maken van een volwaardig nationaal mensenrechteninstituut.  Wordt (hopelijk) vervolgd…..

Marike Lefevre is doctoraatsonderzoekster mensenrechten aan het Leuven Centre for Public Law. Onder de supervisie van Prof. dr. Koen Lemmens, bereidt ze er een proefschrift voor in het kader van het FWO onderzoeksproject: “Popular Culture on Trial: European Human Rights as Agents of Cultural Change or Conservation?”.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.