Brieven aan het beleid: onderwijs(recht)

Het maatschappelijke debat woedt volop. In de blogreeks ‘Brieven aan het beleid’ geven we het woord aan enkele onderzoekers over wat volgens hen zeker niet onbesproken mag blijven. Geen ivorentorenwaarheden maar aanzet tot discussie. In deze eerste blogpost van de reeks maakt prof. dr. Kurt Willems ons wegwijs in de uitdagingen van het onderwijs(recht).

Binnenkort is het weer 1 september. Het wordt een bijzondere start van het schooljaar. Samen met alle leerlingen die verwachtingsvol hun nieuwe klas betreden, betrekt straks ook een nieuwe onderwijsminister het kabinet. Die nieuwe minister begint alvast niet met een lege schoolagenda: het huiswerk is niet min.

Centrale of gestandaardiseerde toetsen

Eén van die uitdagingen betreft de vraag naar centrale of gestandaardiseerde toetsen. Momenteel oordeelt de delibererende klassenraad over het studieniveau van de leerlingen op basis van het gehele dossier van de leerling. Het top-down invoeren van centrale examens voor studiebekrachtiging van leerlingen vermindert bijgevolg het niveau van onderwijsvrijheid dat de inrichtende machten thans genieten. En dat is al zeker het geval, indien die gestandaardiseerde of centrale toetsen zich exclusief op de eindtermen zouden richten. Eindtermen zijn krachtens het Grondwettelijk Hof door de overheid goedgekeurde “minimumonderwijsnormen” (zoals vereist door art. 13 van het Internationaal Verdrag betreffende Economische, Sociale en Culturele rechten).

Ook bij de vernieuwingsoperatie van de eindtermen in 2018 werd die ‘juridisch veilige’ decretale lijn aangehouden: eindtermen (inclusief basisgeletterdheid) zijn slechts minimumdoelen, zodat artikel 24 van de Grondwet, waarin de onderwijsvrijheid verankerd is, niet disproportioneel geschonden wordt. Dat onderwijsverstrekkers daar bovenop nog eigen doelen mogen formuleren, is dan niet alleen deel van de onderwijsvrijheid maar ook een logisch gevolg van het feit dat de overheid slechts minimumnormen vastlegt. De vrijheid om dergelijke eigen onderscheiden doelen te formuleren, compliceert echter het verhaal van de centrale of gestandaardiseerde toetsen. Juridisch komt het hierop neer: de invoering van gestandaardiseerde toetsen die bottom-up ontwikkeld worden door de verschillende onderwijsverstrekkers (i.t.t. centraal opgesteld door de overheid), die mede rekening houden met de eigen doelen (i.t.t. zich exclusief richtend op de eindtermen), en die gebruikt worden voor kwaliteitsmeting van scholen (i.t.t. de studiebekrachtiging van leerlingen), is alvast de weg van de minste weerstand. Waarmee niet gezegd is dat het omgekeerde in alle gevallen juridisch onmogelijk is.

M-Decreet

Een andere uitdaging op de tafel van de toekomstige onderwijsminister betreft het M-decreet. Kan dit worden teruggeschroefd nu de problemen die rijzen bij de uitrol ervan, het draagvlak voor inclusief onderwijs op sommige plaatsen stevig lijken te ondergraven? Een bijzonder complexe vraag, waarop in een volgende blogpost dieper zal worden ingegaan.

Neutraliteit

Neutraliteit is een volgend juridisch knelpunt. Thans rust de verplichting tot levensbeschouwelijke neutraliteit op het Gemeenschapsonderwijs (grondwettelijke plicht) en op het officieel gesubsidieerd onderwijs (gelet op de publieke aard van de onderwijsverstrekkers). In het huidige grondwettelijke kader (art. 24 GW is immers niet voor herziening vatbaar verklaard) houdt dit een verplichting in om onderwijs aan te bieden in alle erkende levensbeschouwingen. Mede in het licht van art. 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, impliceert dit ook de verplichting om een vrijstelling te voorzien voor ouders die zich niet kunnen vinden in de levensbeschouwelijke keuzes die aan hun kinderen worden aangeboden. Scholen die naast het grondwettelijk verplichte aanbod van zeven levensbeschouwelijke keuzes willen experimenteren met een eigen achtste keuze (denk bijvoorbeeld aan boeddhisme, maar ook LEF behoort tot de mogelijkheden) ondervinden weinig grondwettelijke tegenstand. Eventuele financiering ervan vergt weliswaar een overheidsingreep, die het gelijkheidsbeginsel dient te respecteren. Wie echter ook leerlingen die gebruik maken van de vrijstellingsmogelijkheid tot deelname wil verplichten, dient zich wél afdoende juridisch te verantwoorden. Het wegnemen van de vrijstellingsmogelijkheid kan slechts indien er een objectief, pluralistisch en kritisch lessenpakket wordt uitgewerkt dat (opnieuw krachtens het bovenvermelde art. 2 Eerste Protocol EVRM) het recht eerbiedigt van de ouders om (voor hun kinderen) zich van dat onderwijs te verzekeren dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige én filosofische overtuigingen.

Wat levensbeschouwelijke kentekens betreft – de andere angel in het neutraliteitsdebat – bevat de grondwet geen duidelijke instructies. Het Grondwettelijk Hof heeft duidelijk gemaakt dat beleid hieromtrent nauw gelieerd is aan het pedagogische project van de scholen, die hierin een keuze moeten maken. Ook in het Gemeenschapsonderwijs komt die bevoegdheid thans derhalve toe aan het GO!, en niet meer aan de Vlaamse decreetgever. Wat de inhoudelijke grenzen betreft die scholen van officieel onderwijs ter zake moeten eerbiedigen, blijft de rechtspraak van de Raad van State uit 2014 de meest gezaghebbende rechtsbron: voor scholen van officieel onderwijs schendt het invoeren van een algemeen verbod in scholen waar er geen concrete noodzaak bestaat om zulks te doen, de godsdienstvrijheid.

Conclusie

Daarmee is nog niets gezegd over het loopbaanpact (heeft het zin om de onderscheiden rechtspositiedecreten voor het Gemeenschapsonderwijs, enerzijds, en het vrij en officieel gesubsidieerd onderwijs, anderzijds, te behouden?), over controle op levensbeschouwelijke vakken, over burgerschap (en een eventuele ‘Vlaamse canon’), over meertaligheid of over het hoger onderwijs… Uitdagingen in het onderwijs zijn er dus meer dan genoeg. Juristen kunnen hierbij het speelveld afbakenen waarbinnen de oplossingen moeten worden gevonden. Een compromis vinden tussen afgewogen pedagogische keuzes en politieke beleidskeuzes, dat is huiswerk voor de volgende minister.

Kurt Willems is professor onderwijsrecht aan de KU Leuven (Leuven Centre for Public Law), advocaat aan de Balie van Antwerpen, plaatsvervangend voorzitter van de deontologische Kamer van Beroep voor personeelsleden uit het vrij gesubsidieerd onderwijs en lid van de Commissie Leerlingenrechten.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.