Brieven aan het beleid (7): de interpretatiestrijd inzake faciliteiten

Het maatschappelijke debat woedt volop. In de blogreeks ‘Brieven aan het beleid’ geven we het woord aan enkele onderzoekers over wat volgens hen zeker niet onbesproken mag blijven. Geen ivorentorenwaarheden maar aanzet tot discussie. Deze zevende post staat stil bij de problematiek van de taalfaciliteiten.

Na elke gemeenteraadsverkiezing duiken ze opnieuw op in het nieuws: de beladen berichten over de niet-benoeming van burgemeesters. Aan de oorsprong ervan ligt een interpretatiestrijd in verband met faciliteiten die al jarenlang aansleept. Deze blogpost vraagt aandacht voor de problematiek en de noodzaak van een oplossing.

Faciliteiten in randgemeenten bieden aan Franstalige inwoners de mogelijkheid om bij bepaalde contacten met de overheid gebruik te maken van het Frans en hierin ook bediend te worden. In 2014 poogde de algemene vergadering van de  Raad van State om toch een evenwichtige oplossing te voorzien , in het kader van een procedure rond de niet-benoeming van enkele burgemeesters. Hij oordeelde toen dat faciliteiten slechts elke vier jaar aangevraagd moeten worden. De Vlaamse overheid heeft zich hiertegen echter met hand en tand verzet omdat dit een te soepele regeling zou zijn. Het Hof van Cassatie daarentegen oordeelde dat deze regeling te rigide is. De dupe van dit conflict zijn de burgers van de randgemeenten die niet weten hoe ze gebruik kunnen maken van hun (grondwettelijk) beschermde faciliteiten. Maar de impact is zeker even voelbaar voor de burgemeesters van de randgemeenten, die keer op keer niet benoemd worden door de Vlaamse overheid omdat zij de taalwetgeving niet zouden naleven. Hierdoor legt de Vlaamse overheid de rechtspraak van de Raad van State en het Hof van Cassatie naast zich neer. Kortom, onzekerheid troef.

Verschillende visies

Omtrent de implementatie van deze faciliteiten bestaan er al tientallen jaren verschillende interpretaties. Moeten ze elke keer opnieuw aangevraagd worden? Of moeten ze slechts eenmaal aangevraagd worden en is registratie van taalvoorkeur dus nodig? De Vlaamse overheid sluit zich aan bij de eerste stelling. In een aantal omzendbrieven, waarvan de Omzendbrief-Peeters uit 1997 de bekendste is, geeft zij aan dat inwoners van randgemeenten faciliteiten telkens opnieuw moeten aanvragen, willen ze er gebruik van maken. De meerderheid van de Franstalige rechtsleer en politici daarentegen verdedigt de tweede stelling. Faciliteiten moeten volgens hen dus slechts eenmaal aangevraagd worden.

Raad van State komt in het spel  

De Raad van State sloot zich lange tijd aan bij de visie van de Vlaamse overheid. In 2004 werden nog een aantal beroepen tegen de Vlaamse omzendbrieven in verband met faciliteiten afgewezen. Sinds 2014 hanteert de Raad van State echter een andere visie. Faciliteiten zouden slechts om de vier jaar aangevraagd moeten worden. Hieruit volgt onvermijdelijk dat registratie mogelijk is. De burgemeesters die deze nieuwe rechtspraak naleven, worden echter keer op keer bestraft door de Vlaamse overheid die hun benoeming weigert. De ratio hiervoor is dat de motieven van de Raad enkel in het overwegende gedeelte (met de beweegredenen voor de beslissing) van de arresten staan en niet in het beschikkende gedeelte (d.i. de beslissing zelf).

Juridisch snijdt dit echter geen hout: ook wat in dit overwegend deel staat over middelen die gegrond worden verklaard, draagt immers gezag van gewijsde.  Hieruit volgt dat de overheid met een nieuwe beslissing geen vernietigingsarrest ongedaan mag maken, en dus opnieuw een burgemeester weigeren te benoemen. Daarnaast lijkt de weigering een gemiste kans, aangezien de interpretatie van de Raad van State net een evenwicht lijkt te vormen tussen de verschillende visies van de Franstaligen en Nederlandstaligen.

Bovendien is het de  overheid zelf die de Raad bevoegd heeft gemaakt voor de problematiek inzake taalfaciliteiten. Tijdens de onderhandelingen voor de Zesde Staatshervorming werd immers een tijdlang gepoogd een duidelijke interpretatie van faciliteiten in de wet te schrijven. Dit is uiteindelijk niet gelukt. Deze gemiste kans op rechtszekerheid is te betreuren. De meest eenvoudige oplossing leek dan maar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd te maken voor bestuurlijke geschillen in randgemeenten.

Bovendien was er bij deze onderhandelingen een redelijke consensus omtrent het feit dat faciliteiten niet telkens opnieuw aangevraagd zouden moeten worden. Zo stelde een aantal onderhandelaars, zowel Nederlands- als Franstaligen, een termijn van drie jaar voor, anderen zes jaar. Vier jaar lijkt dus een redelijk evenwicht hiertussen.

Ook het Hof van Cassatie mengt zich

Daarbij stopt het echter niet. Ook het Hof van Cassatie heeft zich uitgesproken in de faciliteitendiscussie. Het oordeelde in een fiscale zaak, waarvoor het de natuurlijke rechter is, dat faciliteiten slechts eenmaal aangevraagd moeten worden en registratie dus noodzakelijk is. Het Hof lijkt dus eerder aan te leunen bij de Franstalige visie. Hierdoor wordt het evenwicht van de gevestigde rechtspraak van de Raad van State verlaten en zijn we weer terug naar af.

(G)een oplossing in zicht?

Kortom, het moge duidelijk wezen dat er geen duidelijkheid bestaat omtrent faciliteiten in randgemeenten. De verantwoordelijkheid bij de rechtspraak leggen heeft geen klaarheid geboden. Dat de Vlaamse overheid de uit die rechtspraak volgende principes weigert toe te passen, draagt zeker niet bij tot die zoektocht naar klaarheid. De enige duidelijke oplossing lijkt dan ook dat de overheid moed vertoont en een regeling in de wet schrijft. Het meest eenvoudige zou zijn om de rechtspraak van de Raad van State gewoon over te nemen, aangezien die weinig tot geen kritiek kreeg: een opmerkelijke prestatie in deze materie. Nog moediger zou echter zijn om ook rekening te houden met de praktische bezwaren, namelijk de last van om de zoveel tijd aanvragen indienen. Dit kan bijvoorbeeld door te stellen dat iemand recht heeft op faciliteiten van zodra hij dit aanvraagt tot hij zelf aangeeft hier geen gebruik meer van te willen maken. De inwoners van randgemeenten hebben immers sowieso recht op faciliteiten. Heeft het dan enig nut om de uitoefening van dit recht zo moeilijk mogelijk te maken? Aan het legaliteitsmotief uit art. 4 Gw. lijkt immers nog steeds voldaan, aangezien er nog altijd registratie nodig is om gebruik te maken van faciliteiten; het Nederlands blijft dus voorrang hebben in het Nederlands taalgebied.

Elise Myin is masterstudente rechten aan de KU Leuven. In het kader van het seminarie administratief recht schreef zij onder begeleiding van Steven Verbeyst  een werk over de interpretatie van faciliteiten in de randgemeenten. 


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.