Blijft het parlement bij de (godsdienst)les?

Met het kleinst mogelijke verschil – één stem – belette de Senaat eind april dat artikel 24 van de Grondwet voor herziening vatbaar zou worden verklaard. Daardoor kunnen tijdens de komende legislatuur geen wijzigingen worden aangebracht aan de grondwettelijke inbedding van de levensbeschouwelijke vakken binnen het leerplichtonderwijs. Op de conferentie ‘Quelle Constitution après 2019?/Welke Grondwet na 2019?’ gaven Johan Lievens en Adriaan Overbeeke twee aanzetten tot debat over een mogelijke bijsturing van de Grondwet.

Met 23 stemmen vóór de herziening, 23 stemmen tégen en 6 onthoudingen doorkruiste de plenaire vergadering van de Senaat het plan dat de Kamer een maand eerder goedkeurde om tijdens de volgende legislatuur de inbedding van de levensbeschouwelijke vakken op school en de vrijheid van onderwijs (voor het eerst sinds 1830 integraal) te kunnen herzien.

De stemming in de Senaat illustreert hoe politieke ‘misverstanden’ en (schijnbare) toevalligheden een directe impact kunnen hebben op ons grondwettelijk bestel. Zo overtuigde Bert Anciaux, in afwijking van het partijstandpunt, de voltallige sp.a-Senaatsfractie tegen te stemmen. De ene ontbrekende stem had net zo goed van één van de afwezige senatoren kunnen komen. En hoewel beide partijen zich in een bevraging van Thomas voor de aanpassing van artikel 24 van de Grondwet uitspraken, verbaasden Groen en Vlaams Belang dan weer door zich te onthouden respectievelijk tegen te stemmen.

Gevolg: artikel 24 Gw. blijft (minstens tot aan het einde van volgende legislatuur) gebetonneerd.

Aanzetten tot debat

Met twee concrete voorstellen willen wij bijdragen aan het debat over de (verdere) toekomst van artikel 24 Gw, dat momenteel in een tweeledige bescherming voorziet van de levensbeschouwelijke vorming:

    • Ten eerste waarborgt artikel 24, §1, vierde lid Gw. dat “[d]e scholen ingericht door openbare besturen […], tot het einde van de leerplicht, de keuze aan[bieden] tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.
    • Ten tweede stelt artikel 24, §3, tweede lid Gw. dat “[a]lle leerlingen die leerplichtig zijn, […] ten laste van de gemeenschap recht [hebben] op een morele of religieuze opvoeding.”

De redactie van deze bepalingen, die grosso modo afspraken uit het Schoolpact van 1958 in de Grondwet verankeren, confronteert het onderwijsbeleid in de praktijk met enkele knelpunten die mogelijk vermeden kunnen worden. Het lijkt ons interessant het debat te voeren over een herformulering van artikel 24, §1, vierde lid Gw., dat dan bijvoorbeeld als volgt zou kunnen luiden:

“De scholen ingericht door openbare besturen bieden, [vanaf het schooljaar waarin leerlingen de leeftijd van zes jaar bereiken] tot het einde van de leerplicht, de [mogelijkheid levensbeschouwelijk onderricht te genieten].”

Onze voorstellen zien niet rechtstreeks op artikel 24, §3 Gw., al moet die bepaling wel in het licht van de, eventueel gewijzigde, eerste paragraaf worden gelezen.

Geen verplichte godsdienst voor kleuters

Onze eerste voorzet is om het temporeel toepassingsgebied van artikel 24, §1, vierde lid Gw. te beperken. Op die manier kan de leerplichtleeftijd verlaagd worden zonder dat de praktische organisatie en het budgettaire gewicht van het levensbeschouwelijk onderricht wijzigen. De leerplicht verlagen tot vijf jaar – zoals eerder dit jaar werd beslist – of zelfs tot drie jaar riskeert immers op een dure grap uit te draaien. Als ouders voor hun kleuters verschillende vormen van levensbeschouwelijk onderricht gaan eisen, moet de klasgroep telkens in kleine religieuze groepjes worden opgesplitst, elk met een eigen godsdienstleerkracht. Hoewel de Raad van State al adviseerde dat daar praktische oplossingen te overwegen zijn – zoals het laten aansluiten van kleuters bij de godsdienstles van ‘hun’ religieuze groep uit het eerste leerjaar – zou  een wijziging van de Grondwet op dit punt veel onzekerheid of juridische Spielerei vermijden.

Levensbeschouwelijk onderricht, ook voor kleine levensbeschouwingen?

Onze tweede voorzet betreft het herformuleren van “de keuze […] tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer”. Hier spelen een aantal zaken.

Ten eerste is de op de Schoolpact-constructie voortbouwende opdeling in (erkende) “godsdiensten“ en “de niet-confessionele zedenleer” achterhaald. In werkelijkheid zijn er meerdere niet-confessionele strekkingen te onderscheiden. Naast de georganiseerde vrijzinnigheid, waarvan de levensbeschouwing pas geleidelijk aan met “de niet-confessionele zedenleer” in artikel 24 Gw. is gaan samenvallen, zijn bijvoorbeeld ook (de meeste stromingen) binnen het boeddhisme als niet-confessioneel te beschouwen, evenals stromingen binnen het christendom die zich niet aan een confessie willen binden. Het enkelvoud “de niet-confessionele zedenleer” is onnodig knellend.

De herformulering impliceert dat de besluitvorming over het aan te bieden palet aan religieuze/levensbeschouwelijke  stromingen op het niveau van de gemeenschappen komt te liggen in plaats van op het niveau van de gedeelde Grondwet. Dit zou kunnen leiden tot verschillen in het aanbod. Dit is echter ook onder het huidige stelsel mogelijk: Anglicaanse godsdienst wordt bv. niet aangeboden in de officiële scholen in de Franse Gemeenschap.

Een ander punt van debat volgt uit de koppeling van het levensbeschouwelijk keuzepalet aan de erkenning als eredienst. De erkenning van erediensten (op federaal niveau) heeft via artikel 24 Gw. een (aanzienlijke) impact op de financiële verplichtingen van de Gemeenschappen. Is dat wel opportuun? Belemmert het mogelijk de vlotte(re) erkenning van erediensten? Het heeft er alle schijn van dat het stroperige verloop van het erkenningsdossier van de boeddhisten te maken heeft met die in 1988 in de Grondwet zelf opgenomen band tussen erkenning en het aan te bieden levensbeschouwelijk onderricht.

Tot slot, en daaraan gerelateerd, stellen we ons de vraag of het wel nodig is – dat wil zeggen: grondwettelijk noodzakelijk – dat  alle erkende erediensten, ook de allerkleinste, in een door de overheid gefaciliteerd aanbod van levensbeschouwelijk onderricht present moeten zijn. Kan bijvoorbeeld het aanbod van het officieel onderwijs niet beperkt worden tot de qua leerlingental relatief grote levensbeschouwelijke stromingen (de erkende erediensten minus het anglicanisme dat in Vlaanderen minder dan 50 leerlingen telt; plus het vrijzinnig humanisme)? Aanhangers van zeer kleine geloofsgemeenschappen zouden dan via een vrijstellingsregeling ruimte kunnen krijgen hun levensbeschouwelijk onderricht te realiseren (zie de garantie in artikel 24, §3 Gw.). Een minimum leerlingental zou de drempel kunnen vormen voor toetreding tot het ‘gunstregime’ van artikel 24, § 1, vierde lid Gw. Revolutionair is dit standpunt allerminst. Vóór 1988, onder de oude Schoolpactwetgeving, werd de allerkleinste erkende religieuze stroming evenmin in het keuzepalet opgenomen.

Hoewel de Senaat de deur om artikel 24 van de Grondwet te wijzigen weer sloot nadat de Kamer ze op een kier zette, is dit debat geenszins ten einde. Nog los van de mogelijkheden het levensbeschouwelijk onderricht te wijzigen zonder de Grondwet te wijzigen, belet niets het parlement tijdens de komende legislatuur verder na te denken over de toekomst van de grondwettelijke verankering. Al was het maar om bij de volgende herzieningsverklaring over een concreter herzieningsplan te kunnen debatteren.

Johan Lievens is universitair docent staatsrecht aan de VU Amsterdam en tevens verbonden aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven) en de UNamur. Zijn boek De vrijheid van onderwijs (596p.) verscheen in 2019 bij Intersentia.

Adriaan Overbeeke is universitair docent staatsrecht aan de VU Amsterdam en tevens verbonden aan de UAntwerpen.

Een eerdere versie van deze blogpost verscheen in De Juristenkrant.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.