Belgische klimaatzaak: enkel(e) vaststellingen? (Deel II)

Print Friendly, PDF & Email

"Earth - Global Elevation Model with Satellite Imagery (Version 4)" by Kevin M. Gill is licensed under CC BY 2.0

Klimaat en duurzaamheid blijven de maatschappelijke gemoederen beroeren en staan steeds prominenter op de agenda. Dit roept ook belangrijke juridische vragen op. Een bijzondere blogreeks plaatst deze belangrijke en omvangrijke thematiek in de kijker. In drie blogposts gaan Françoise Auvray, Christopher Borucki en Pieter Gillaerts in op de spraakmakende Belgische Klimaatzaak. Deze tweede post focust op het processuele belang in het kader van de ontvankelijkheidsvraag.

Nadat een eerdere post de Belgische Klimaatzaak schetste en ingang op de vraag naar rechtsmacht van de Belgische rechter, gaat deze post in op een tweede procesrechtelijke vraagstuk: het processuele belang, dat nodig is voor ontvankelijkheid van hun vorderingen.

Hebben de eisers een processueel belang?

Na vraag over de rechtsmacht, is de vervolgvraag wie de aansprakelijkheid van de overheid  aan de rechter kan voorleggen. Wie beschikt daarvoor met andere woorden over het vereiste belang? Dat is de volgende vraag die de rechtbank beantwoordt.

Het vonnis schenkt bij dit aspect van de zaak veel aandacht aan het Verdrag van Aarhus, zoals bekrachtigd door België. Artikel 9.3 van dat verdrag verplicht België om te verzekeren dat burgers toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen of nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten wanneer die strijdig zijn met bepalingen van het nationale recht betreffende het milieu. Volgens de rechtbank vormt de Belgische klimaatzaak zo’n procedure.

Op het eerste gehoor klinkt dit mogelijk wat vreemd, nu het in de klimaatzaak gaat om een fout in de zin van artikel 1382 oud BW en een schending van mensenrechten vervat in het EVRM. Dit zijn niet meteen bepalingen die geassocieerd worden met de term nationaal milieurecht. De rechtbank redeneert als volgt: artikel 1382 oud BW is een interne rechtsgrond voor de milieu-aansprakelijkheid van de overheid en maakt deel uit van dat nationale milieurecht. Ook internationale en Europese normen die deel zijn gaan uitmaken van de interne rechtsorde, behoren daar volgens de rechtbank toe.

De voorgelegde betwisting valt volgens de rechtbank dus wel degelijk binnen de contouren van het verdrag, zodat toegang tot de rechter verzekerd moet zijn. Uiteraard kan die toegang door nationaalrechtelijke criteria worden omkaderd. Naar Belgisch recht wordt daarbij in de eerste plaats verwezen naar de vereiste van (processueel) belang (art. 17 en 18 Ger.W.). De rechtbank gaat deze vereiste dan ook na, zowel voor de natuurlijke personen als voor de vzw Klimaatzaak.

De natuurlijke personen

Wat het belang van de natuurlijke personen betreft, verwijst de rechtbank onder meer naar het bijzonder rapport van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) uit 2018, een groenboek van de Europese Commissie uit 2007, een studie door het Europees Milieuagentschap en verscheidene niet-betwiste bronnen over de directe gevolgen van de klimaatverandering. Uit deze documenten blijkt volgens de rechtbank dat, nu reeds, nefaste gevolgen van de klimaatverandering zijn vastgesteld op mondiaal, Europees maar ook Belgisch niveau. De rechtbank meent bovendien dat de negatieve impact van de klimaatverandering zal verergeren. Op basis van deze vaststellingen oordeelt de rechtbank dat elk van de natuurlijke personen wel degelijk beschikt over een rechtstreeks en persoonlijk belang bij hun eisen. Die hebben immers tot doel om een deel van de aansprakelijkheid voor die huidige en toekomstige nefaste gevolgen van de klimaatverandering op hun dagelijkse leven bij de Belgische overheden te leggen.

Het feit dat ook andere Belgen dan de eisers vergelijkbare schade kunnen ondervinden, leidt er volgens de rechtbank niet toe dat de vorderingen enkel het algemeen belang zouden betreffen. Er is volgens de rechtbank wel degelijk een persoonlijk belang in hoofde van elke individuele eiser. De vereiste van een persoonlijk belang mag namelijk niet worden verward met het bewijs van eigen (persoonlijke) schade. Voor de vraag naar (processueel) belang volstaat overigens het aanvoeren van een subjectief recht (zoals het recht op schadevergoeding uit artikel 1382 oud BW) en dus het zoeken van rechtsbescherming. Of er ook daadwerkelijk schade (in de vorm van een krenking van individuele belangen) en een fout is, behoort tot de beoordeling ten gronde.

De vzw Klimaatzaak

Wat het belang van de vzw Klimaatzaak zelf betreft, laat artikel 17, tweede lid Ger.W. een rechtspersoon vandaag uitdrukkelijk toe om op te treden ter behartiging van een collectief belang als maatschappelijk doel. Bij aanvang van de procedure bestond dat tweede lid echter nog niet, zodat de vzw een andere grondslag nodig had om in  rechte te kunnen optreden. Bij de beoordeling van het belang in hoofde van de vzw steunt de rechtbank opnieuw op het Verdrag van Aarhus.

Ondanks het feit dat het verdrag geen directe werking heeft en een ruime marge laat voor de staten om te bepalen welke verenigingen toegang tot de rechter moeten krijgen, mag het concrete resultaat niet zijn dat die toegang wordt ontzegd aan de meerderheid van de verenigingen. De rechtbank verwijst daarvoor o.m. naar een conclusie van advocaat-generaal Sharpston voor het Hof van Justitie van de EU. Die benadrukt dat het bevoorrechte statuut van de verenigingen in het verdrag een tegengewicht vormt voor de beslissing om geen verplichte actio popularis voor klimaatkwesties in te voeren. Het klimaat werd met andere woorden uit de sfeer van het algemeen belang gehouden in ruil voor voldoende bescherming als collectief belang.

De rechtbank verwijst  ook naar rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Grondwettelijk Hof om te besluiten dat de vzw Klimaatzaak over een persoonlijk belang beschikt, namelijk het herstel van de eigen morele schade die zij lijdt door de aantasting van de collectieve belangen die ze beoogt te beschermen. De rechtbank preciseert ook nog dat het niet gaat om het vermijden of herstellen van zuiver ecologische schade. Dit laatste is schade die rechtstreeks aan de omgeving wordt toegebracht, los van de gevolgen voor mensen of goederen. Opnieuw treedt het onderscheid op de voorgrond tussen het algemeen belang, waarmee de zuiver ecologische schade wordt verbonden, en collectieve belangen, waaronder de morele schade thuishoort van rechtspersonen die collectieve belangen beogen te beschermen.

Voor de bescherming van collectieve belangen wordt vandaag naar Belgisch recht dus gekeken in de richting van hetzij personen met individuele schade hetzij rechtspersonen (zoals de vzw Klimaatzaak). Dat zou ook anders kunnen. Collectieve belangen zouden eveneens kunnen worden beschermd vanuit het toekennen van rechten aan de natuur en onderdelen ervan, zoals een rivier. Deze piste is naar Belgisch recht (nog) niet aan de orde. Het is dan ook niet verrassend te lezen dat de rechtbank besluit dat bomen geen rechtspersoonlijkheid hebben en geen rechten kunnen hebben of uitoefenen. De vrijwillige tussenkomst in de Belgische klimaatzaak van 82 bomen mocht dus niet zijn.

Belang bij het herstellen maar ook bij het voorkomen van schade

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de eisende partijen beschikken over het vereiste belang om te ageren met het doel de toekomstige schade te vermijden waarvan het risico op realisatie reëel en niet hypothetisch is. De rechtbank steunt daarbij op artikel 18, tweede lid Ger. W. dat preventieve rechtsbescherming toelaat.

Het vonnis bevat aldus heel wat overwegingen over het processuele belang en ontvankelijkheidsvraag, die tot interessante analyses aanleiding kunnen geven. Maar wat oordeelde de rechtbank over de grond van de zaak? Dat komt aan bod in een volgende blogpost.

Dr. Pieter Gillaerts is vrijwillig wetenschappelijk medewerker van de KU Leuven.

Christopher Borucki en Françoise Auvray zijn verbonden aan het Instituut voor Verbintenissenrecht van de KU Leuven, UHasselt.

Deze blogpost is een herwerkte versie van een bijdrageBelgische klimaatzaak: enkel(e) vaststellingen?” die eerder verscheen in De Juristenkrant (2021, afl. 436, 3 en 6-7).


Pieter GILLAERTS, Christopher BORUCKI & Françoise AUVRAY, "Belgische klimaatzaak: enkel(e) vaststellingen? (Deel II)", Leuven Blog for Public Law, 8 December 2021, https://www.leuvenpubliclaw.com/belgische-klimaatzaak-enkele-vaststellingen-deel-ii-2 (geraadpleegd op 17 January 2022)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.