België opnieuw ‘gebuisd’ wegens te trage realisatie van inclusief onderwijs

Print Friendly, PDF & Email

Op 3 februari 2021 maakte het Europees Comité voor sociale rechten (‘ECSR’) zijn beslissing bekend in de zaak International Federation for Human Rights (FIDH) en Inclusion Europe t. België. Het Comité veroordeelde België voor een schending van het recht op inclusief onderwijs van kinderen met een verstandelijke beperking in de Franse Gemeenschap. De veroordeling deed ogenschijnlijk weinig stof opwaaien in Vlaanderen, wellicht omdat het niet de eerste keer was dat België hiervoor op de vingers werd getikt. Geen verrassende onvoldoende op het rapport dus – maar wanneer wordt het tekort opgehaald?

Het Comité, dat zich uitspreekt over de verplichtingen van lidstaten onder het (herzien) Europees Sociaal Handvest (‘ESH’), besloot in het verleden al meermaals tot een schending in gelijkaardige zaken. Het interpreteert het recht op onderwijs voor personen met een handicap (art. 15 en 17 ESH) steevast in overeenstemming met het VN-verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap (‘VRPH’). Het VRPH vereist toegang tot inclusief onderwijs en wordt door het Comité ook expliciet benoemd als de internationaal aanvaarde standaard. Een parallel systeem van buitengewoon onderwijs zoals wij dat historisch kennen in België, voldoet niet aan die standaard – wat verklaart waarom de beide landsdelen worstelen met het dossier. Het VRPH en het Handvest bevatten eveneens een (non-discriminatie)verplichting om in individuele redelijke aanpassingen te voorzien.

Waar de eerste verplichting om inclusief onderwijs te voorzien stapsgewijs gerealiseerd mag worden, geldt de tweede verplichting onmiddellijk. Aangezien slechts datgene moet gebeuren wat ‘redelijk’ is om een leerling met handicap op voet van gelijkheid toegang tot en deelname aan gewoon onderwijs te verzekeren, is de weigering daarvan een discriminatie. De twee verplichtingen verschillen dan ook fundamenteel van karakter. De plicht om tot inclusief onderwijs te komen vergt een ex ante verplichting om het gewone onderwijssysteem toegankelijk te maken voor alle leerlingen, terwijl de redelijke aanpassingsplicht ex post en individueel is: nadat een specifieke leerling toegang heeft gevraagd tot een specifieke school, moet de school overwegen welke aanpassingen daartoe redelijk zijn. Finaal is het aan de Belgische staat (en gelet op de bevoegdheidsverdeling in het federale België, de Gemeenschappen) om scholen daartoe de nodige ondersteuning te bieden.

Hoewel het in essentie dus twee zeer onderscheiden rechten betreft, zit er ook een duidelijk inhoudelijk verband tussen. Hoe inclusiever een schoolsysteem is, hoe vlugger gevraagde individuele aanpassingen redelijk zullen zijn want hoe minder bijkomende inspanning de school moet leveren. Maar in afwachting van een inclusief systeem, kunnen individuele redelijke aanpassingen wel deels soelaas bieden, des te meer waar een enkele aanpassing meerdere leerlingen ten goede kan komen. Denk bijvoorbeeld aan de vertaling van een handboek in braille binnen de school – de kost die dat van individuele leerlingen (en hun ouders) zou vergen, is immers aanzienlijk hoger.

Werk aan de winkel

Met betrekking tot beide verplichtingen oordeelt het ECRS dat de Franse Gemeenschap tekortgeschoten is. Het Comité baseert zich hierbij onder meer op data aangehaald door Unia en de Délégué général aux droits de l’enfant. Het concludeert het Comité dat de Franse Gemeenschap (en dus internationaalrechtelijk gezien België) kinderen met een matige of ernstige intellectuele handicap ongunstiger behandelt dan andere kinderen, en in gebreke blijft op het vlak van redelijke aanpassingen.

De Franse Gemeenschap rolt een wettelijk systeem uit waarin leerlingen met een intellectuele handicap richting buitengewoon onderwijs geduwd worden in plaats van dat te vermijden, aldus het Comité. Voor deze leerlingen hypothekeert dat dan ook de mogelijkheid om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij. Een cirkelredenering dreigt zo te ontstaan waardoor die kinderen een verslag krijgen dat toegang geeft tot buitengewoon onderwijs, juist omdat ze vooraf niet de nodige ondersteuning kregen, veeleer dan dat hun situatie intrinsiek daartoe noopt. Eender welk onderwijssysteem dat de noodzakelijke expertise, personeelsondersteuning en financiële middelen om kinderen met een handicap te ondersteunen voornamelijk in het buitengewoon onderwijs realiseert, dreigt in die val te trappen.

Drie jaar geleden werd de Vlaamse Gemeenschap om gelijkaardige redenen op de vingers getikt in de zaak MDAC v. Belgium. Ook Frankrijk kreeg eerder al van hetzelfde laken een broek wegens schending van het recht op inclusief onderwijs voor leerlingen met autisme (AEH t. Frankrijk). De Commissie is in het verleden inderdaad vrij consequent geweest in het veroordelen van lidstaten die te weinig inspanningen deden, a fortiori wanneer zij (zoals België) geen duidelijke roadmap met tussentijdse doelstellingen richting inclusie kunnen voorleggen. Die consistentie ontbrak in het verleden al eens bij de Straatsburgse tegenhanger van het ECSR (het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dus), dat eveneens verwijst naar het VRPH als internationaal aanvaarde standaard, maar in het verleden tot nogal uiteenlopende conclusies kwam. In het recentste arrest G.L. t. Italië (2020) sloot het Hof zich echter opnieuw aan bij zijn eerdere (strengere) rechtspraak en veroordeelde het Italië omdat een leerling met autisme onvoldoende bijstand gekregen had. Zo zitten het Hof en het Comité dus opnieuw op dezelfde lijn. België is alvast (tweemaal) gewaarschuwd.

De minister van Onderwijs binnen de Franstalige Gemeenschap, Caroline Désir, gaf aan dat er al inspanningen worden geleverd voor kinderen met een verstandelijke beperking, maar dat ze beseft dat er nog meer nodig is. Een gelijkaardig geluid hoorden we al langs Vlaamse zijde, waar een nieuw begeleidingsdecreet (recent heraangekondigd als decreet leersteun) werd aangekondigd in het beleidsplan van minister Weyts, om komaf te maken met het gecontesteerde M-decreet. De recente veroordeling bevestigt nog maar eens dat er inderdaad werk aan de winkel is.

Marie Spinoy is als doctoraal onderzoekster verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.

Kurt Willems is professor onderwijsrecht, hoofd van het Leuven Centre for Public Law van de KU Leuven en advocaat.

Een eerdere versie van deze post verscheen in De Juristenkrant.


Marie SPINOY & Kurt WILLEMS, "België opnieuw 'gebuisd' wegens te trage realisatie van inclusief onderwijs", Leuven Blog for Public Law, 23 July 2021, https://www.leuvenpubliclaw.com/belgie-opnieuw-gebuisd-wegens-te-trage-realisatie-van-inclusief-onderwijs (geraadpleegd op 28 September 2021)

Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

We reserve the right to refuse, without any correspondence or notification, the publication of comments, for example, due to an insufficient link with the blogpost.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.