Antwerpse hof van beroep bevestigt hoofddoekenverbod: eerste schot in rechterlijke schoolstrijd?

Print Friendly, PDF & Email

Op 23 december 2019 werd het verbod op levensbeschouwelijke kentekens in het Vlaamse Gemeenschapsonderwijs voor de zoveelste maal rechterlijk getoetst. Ditmaal was het de beurt aan twee scholen uit Maasmechelen, waarvan elf leerlingen zich tot de burgerlijke rechter richtten. Het hof van beroep in Antwerpen oordeelde dat het verbod in die scholen geen disproportionele inperking van de godsdienstvrijheid uitmaakte. Daarmee ging het lijnrecht in tegen de interpretatie die de Raad van State aan die vrijheid gaf in 2014. Een grondige motivering bleef uit.

Sinds de Raad van het GO! in 2013 via een omzendbrief opriep om een algemeen verbod op levensbeschouwelijke kentekens in te voeren, hebben alle gemeenschapsscholen zo’n verbod opgenomen in hun schoolreglement, ook de twee Maasmechelse scholen die in deze zaak betrokken waren. In 2018 oordeelde de rechtbank in Tongeren dat de verbodsbepalingen niet in lijn waren met de vrijheid van godsdienst (zoals  gewaarborgd in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Bijgevolg moest het reglement ten aanzien van de betrokken leerlingen buiten toepassing gelaten worden.

In zijn arrest van eind december heeft het Antwerpse hof van beroep die beslissing nu hervormd. Anders dan de rechtbank van eerste aanleg, achtte het hof een algemeen verbod op levensbeschouwelijke kentekens wel verzoenbaar met de vrijheid van godsdienst. In de proportionaliteitstoets die nagaat of de inperking van deze vrijheid gerechtvaardigd kan worden, stelde het allereerst dat het verbod legitieme doelstellingen nastreeft. Het wil immers de rechten van ouders en kinderen en ‘een ordentelijk verloop van het schoolgebeuren’ vrijwaren. Het hof onderschreef bovendien de mening van het GO! dat een verbod kan bijdragen aan een schoolomgeving waar iedereen vrij van ‘sociale druk en bekeringsijver’ een oordeel kan vormen over de eigen identiteit en die van anderen. Bovendien zag het een verbod als een garantie om de vrije schoolkeuze van ouders te vrijwaren.

Het hof achtte het algemene verbod ook noodzakelijk om die nagestreefde doelen te bereiken. Die noodzakelijkheidsvoorwaarde is cruciaal om na te gaan of een maatregel verzoenbaar is met de vrijheid van godsdienst. Het hof vertrok voor dat oordeel uit de redenering van het gemeenschapsonderwijs, door te stellen dat eerdere incidenten op GO!-scholen hebben aangetoond dat ‘open pluralisme niet opgewassen was tegen de uitdagingen die gepaard gaan met de toenemende religieuze diversiteit in de samenleving’. Het aanvaardde dat het GO! daarom voor een grotere inperking van de religieuze vrijheid kiest. ‘Van de leerlingen mag verwacht worden’, zo stelde het hof, ‘dat ze toegevingen doen’ ter bescherming van het neutraliteitsprincipe en de rechten van anderen. En van hun ouders, zo ging het hof verder, ‘mag verwacht worden dat ze hun kinderen erop wijzen dat het leven [in een neutrale gemeenschapsschool] een zekere terughoudendheid veronderstelt’.

Onbeantwoorde vragen

Op geen enkel moment liet het hof zich verleiden tot een meer dan oppervlakkige proportionaliteitstoets. Daardoor blijft een hele reeks vragen onbeantwoord. Zo is het vergeefs zoeken naar een uitgewerkte motivering waarom een algemeen verbod de minst vrijheidbeperkende weg naar een ordentelijke en veilige schoolomgeving zou vormen. Evenmin bood het arrest een antwoord op de vraag of de keuze voor een algemeen verbod het doel van een veilige schoolomgeving voor bepaalde religieuze leerlingen niet juist tegengaat in plaats van bevordert. Verder bouwde het Hof zijn argumentatie op de aanname dat leerlingen in het GO! beschermd mogen worden ‘tegen elke vorm van sociale druk en bekeringsijver’. Het hof leek daarbij aan te nemen dat er altijd en automatisch sociale druk uitgaat van het dragen van een hijab. Het hof gaf geen enkele toelichting over hoe die druk wordt gezet, wie of wat die druk uitoefent en welke impact dat heeft op anderen. Er is slechts een terloopse verwijzing naar ‘incidenten op scholen van het gemeenschapsonderwijs’, wat mogelijk slaat op de problematiek in enkele Antwerpse scholen, waar in 2009 een verbod werd ingevoerd omdat er volgens de directie onder leerlingen druk werd gezet om bijvoorbeeld de hijab of lange gewaden te dragen. Dat er, in tegenstelling tot die incidenten, in deze zaak (en vele gelijkaardige zaken) geen enkel aantoonbaar bewijs is van sociale druk of bekeringsijver, zoals de rechter in Tongeren vaststelde, legde het hof zonder meer naast zich neer.

Patstelling

Het hof ging met zijn redenering bovendien lijnrecht in tegen de principes die de Raad van State in 2014, in een gelijkaardige zaak, uiteenzette. Het hof is niet gebonden door de rechtspraak van de Raad, zoals het ook zelf onderstreepte door scherp te stellen ‘geen reden’ te zien de motivatie van de Raad te volgen. Dat het hof zijn eigen weg gaat zonder omstandige motivering is opvallend, aangezien het hoogste bestuursrechtscollege zijn proportionaliteitstoets in 2014 wel uitgebreid verantwoordde, waarna zowel de rechtbank in Tongeren als die in Leuven met zijn redenering aan de slag gingen. Om een goed evenwicht te vinden tussen de belangen van alle leerlingen, zo oordeelde de Raad, moet een school bij incidenten (zoals die in Antwerpen) eerst individuele sancties nemen. Pas wanneer die onvoldoende blijken, kan een verbod op schoolniveau ingevoerd worden en enkel in uitzonderlijke omstandigheden is een algemeen verbod gelegitimeerd. Die getrapte redenering schoof het Antwerpse hof van beroep nu volledig aan de kant.

Het wordt afwachten of de zaak haar weg vindt naar het Hof van Cassatie. Als dat de redenering van het Antwerpse hof van beroep bevestigt, spreken twee hoogste rechtscolleges elkaar tegen. Dan zou de patstelling compleet zijn – alsof de situatie voor scholen én leerlingen nu nog niet onduidelijk genoeg is.

Jonas Vernimmen is doctoraatsonderzoeker aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven) waar hij de rechten van etnische en culturele minderheden onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bestudeert.

Johan Lievens is universitair docent staatsrecht aan de VU Amsterdam en tevens verbonden aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven). Zijn boek De vrijheid van onderwijs (596p.) verscheen in 2019 bij Intersentia.

Deze blogpost verscheen eerder als bijdrage in De Juristenkrant van 29 januari 2020.


Any views or opinions represented in this blog post are personal and belong solely to the author of the blog post. They do not represent those of people, institutions or organizations that the blog or author may or may not be associated with in professional or personal capacity, unless explicitly stated.
Any views or opinions are not intended to malign any religion, ethnic group, club, organization, company, or individual.
All content provided on this blog is for informational purposes only. The owner of this blog makes no representations as to the accuracy or completeness of any information on this site or found by following any link on this site.
The owner will not be liable for any errors or omissions in this information nor for the availability of this information. The owner will not be liable for any losses, injuries, or damages from the display or use of this information.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.